Categoriearchief: studie

Voor de schuld van de ouders…

Voor veel kerkgangers zijn dit heel bekende woorden, ze staan in Exodus 20:5b-6. In veel kerkdiensten op zondagmorgen worden ze voorgelezen, want ze maken onderdeel uit van de tien woorden die God op de stenen platen schreef.
Maar wat doen die woorden daar, en waarop hebben ze betrekking? Wie zijn die ouders?

Deze woorden worden wel getypeerd als “Bedreiging en belofte”.

In de afgelopen maanden is in kerkdiensten die ik meemaakte door verschillende predikanten een opmerking gemaakt bij de  passage die met deze woorden begint tijdens het voorlezen van de wet.

Er werd bijvoorbeeld gezegd dat God de kinderen bezoekt, dus opzoekt, en naar bevind van zaken zal handelen. Een ander zei iets vergelijkbaars, dat er in een oudere vertaling staat dat God bezoekt en dus op bezoek komt bij die kinderen om hun houding tegenover Hem te beoordelen.  Bij navraag blijkt dat hij bedoelt dat de kinderen niet willoos slachtoffer zijn van de zonde van hun (voor)ouders en dat er ouders zijn van kinderen die de kerk en het geloof in God vaarwel hebben gezegd die zich deze tekst heel erg aantrekken.

Ter vergelijking hieronder de teksten van NBV, HSV en Nieuwe Vertaling (NBG ’51) van Exodus 20:5b-6.

NBV:
Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; 6maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.

HSV:
Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, 6maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.

NBG ’51:
… want Ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 6en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

Nu is de vertaling van de NBV voor een lezer nog wel te volgen, maar voor een luisteraar kan deze passage een heel andere lading krijgen.
Die ‘ze’ in ‘wanneer ze mij haten’ (NBV) zijn dat nu die ouders of die kinderen? Je kunt met deze woordkeus beide kanten op, en je hebt echt andere vertalingen nodig om duidelijk te krijgen wat er bedoeld wordt.

Ik vind de vertaling van de NBV dus niet echt gelukkig gekozen. maar de draai die deze voorgangers aan de tekst geven met een  verwijzing naar de vertaling NBG ’51 vind ik allerminst bevredigend.
Waarom? Dat zal ik proberen uit te leggen.

De verwijzing naar bezoeken als “opzoeken om te inspecteren” begrijp ik wel, maar die doet toch geen recht aan wat er in de vertaling NBG ’51 staat.
Er staat niet, zoals deze voorgangers stellen, ‘Ik … die de kinderen bezoek… ‘ maar ‘Ik … die de ongerechtigheid … bezoek aan de kinderen …’ .

Het verschil in betekenis zit in dat voorzetsel ‘aan’.
Het ‘bezoeken aan’ heeft een dreigende lading die door deze voorgangers volledig genegeerd wordt. Of dat komt door onzorgvuldig lezen en associëren of door iets anders weet ik niet. Hoe dan ook, ik had iets meer gevoel voor taal of uitzoekwerk verwacht.

Het woord ‘bezoeken’ heeft in de loop van de eeuwen heel wat betekenissen gehad, waarvan sommige naar de achtergrond zijn verdwenen. Het Woordenboek der Nederlandse Taal geeft een overzicht van de betekenis die Nederlandse woorden in de loop van de geschiedenis hebben gehad. Bij bezoeken staat als 7e betekenis “Iemand of iets bejegenen met bewijzen van ongenade, hem met rampen treffen, hem voor zijne zonden straffen; thans meest nog in het passief.

Bezoeken betekent hier dus straffen, met rampen treffen. Omdat er staat “Die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen” komen die rampen dus niet terecht bij degenen die God niet de eer geven die Hem toekomt en Hem op eigenwillige manier vereren, maar juist bij hun nageslacht.

Laat ik voorop stellen dat ik het zeker waardeer wanneer er troost geboden wordt aan mensen die onterecht moeite hebben met een gedeelte uit de Bijbel. Een vertaling die aanleiding geeft tot het verkeerd begrijpen van een tekst heeft zeker toelichting nodig.

De bewering dat kinderen niet willoos slachtoffer zijn van de zonden van hun voorouders is een lijn die heel sterke papieren heeft. In Deuteronomium 24:16 verbiedt God dat kinderen gestraft worden om de zonden van hun ouders, en in Ezechiël 18:1-4 staat dat alleen wie zondigt sterven zal.

Maar hoe moeten we dan duiden dat de nakomelingen van Datan en Abiram wel gedood worden wanneer ze met hun vaders door de aarde verzwolgen worden omdat Datan en Abiram met Korach tegen Mozes in opstand zijn gekomen (Numeri 16). René heeft hier al eens meer over geschreven.
En ook worden de Judeeërs in ballingschap weggevoerd vanwege de zonden van de generaties voor hen (2 Kronieken 36:21 ; Jeremia 26). Hoe kan dat dan?

In de eerste twee geboden van de tien woorden geeft onze God bepalingen over hoe Hij gediend en geëerd wil worden.

Calvijn vat ze in zijn Institutie zo samen (Boek 2, Hoofdstuk 8):

    God wil

  1.  dat we hem zuiver dienen en dat ons beeld van Hem niet vertroebeld of verduisterd wordt door ongeloof of bijgeloof (§16);
  2.  dat we ervan doordrongen zijn dat we Hem niet kunnen afbeelden en hem ook niet kunnen dienen door Hem eigenschappen van schepselen of menselijke maaksels toe te schrijven (§17).

In de Heidelbergse Catechismus wordt geen aandacht gegeven aan deze woorden. In de Westminster Larger Catechism wordt wel aandacht gegeven aan deze woorden in vraag 110. In de vertaling van ds. G. van Rongen op pag. 111:

Vraag: Welke gronden zijn er aan het tweede gebod toegevoegd om het kracht bij te zetten?

Antwoord: De gronden die aan het tweede gebod zijn toegevoegd om het kracht bij te zetten vervat in de woorden: “Want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, , en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.” (Exodus 20:5-6). Behalve Gods soevereiniteit en zijn eigendomsrechten over ons (Psalm 45:12; Openbaring 15:3-4) zijn ze dus: zijn brandende ijver ten aanzien van zijn eigen eredienst (Exodus 34:13-14), en zijn wrekende verontwaardiging over alle valse eredienst als geestelijke hoererij (1 Korintiërs 10:20-22; Jeremia 7:18-20; Ezechiël 16:26-27; Deuteronomium 32:16-20). Hij rekent degenen die dit gebod breken tot haters van Hem en dreigt hen te straffen tot in verschillende geslachten (Hosea 2:1-3). Maar Hij waardeert wie het in acht nemen als mensen die Hem liefhebben en zijn geboden onderhouden, en belooft hun barmhartigheid tot in vele geslachten (Deuteronomium 5:29).

Calvijn stelt in §19 dat de haat tegen God juist gevolgen heeft als een voortetterende wond.

De bedreiging is dus gericht aan mensen die God haten, die Hem willens en wetens niet dienen zoals Hij dat wil. Het zijn mensen die niet bij het verbond met God willen horen, die niet in de kerk willen zitten, of juist alleen maar op hun eigen manier zonder te buigen voor Gods Woord. Ook daarvan kun je je bekeren, maar als je dat niet doet, in de zonde blijft liggen of er steeds weer naar terugkeert, dan is er de aanzegging van de gevolgen. In Ezechiël 18 maakt God de Heer duidelijk dat de zondaar verantwoordelijk is voor zijn eigen daden, maar dat hij met zijn slechte daden wel een slecht voorbeeld aan zijn kinderen geeft. Er is een gezegde ‘Goed voorbeeld doet goed volgen’, maar de realiteit is dat een slecht voorbeeld nog veel gemakkelijker gevolgd wordt. Tegelijk zijn die kinderen zelf geroepen tot het volgen van God, maar als de opvoeding daarin tekortschiet dan heb je de nadelige gevolgen wel sneller te pakken.

De Westminster stipt Gods soevereiniteit al aan. Ik denk dat daar ook de sleutel ligt voor de vraag of kinderen wel de straf moeten dragen voor de zonde van hun ouders. Je kunt aan twee lijnen denken.

  1.  God is soeverein, Hij hoeft zich niet te houden aan wetten die Hij aan mensen geeft voor de verhoudingen tussen mensen.  Als onze God in zijn soevereiniteit beslist dat Hij anders wil handelen wanneer het niet gaat om een misdaad tegen een volksgenoot, maar om een misdaad tegen de Heilige God, dan heeft Hij daartoe het volste recht.
  2. God straft niet zozeer die kinderen, maar laat de zondaar voelen hoe erg de gevolgen van zijn zonde zijn. Dat doet God misschien ook wel in het leven van de zondaar zelf, maar zeker in de gebrokenheid van het leven van die kinderen. Elke dag dat hij zijn nageslacht ziet wordt de zondaar die zich willens en wetens van God afkeert dan geconfronteerd met de gevolgen van zijn eigen zondige gedrag.

Moeten we dan gaan sleutelen aan de verwoording van deze tekst? Ik ben ervan overtuigd dat goed lezen al heel veel helpt.

Dat mensen zich van God af kunnen keren is helaas wel de realiteit. Dat ligt niet aan Gods onmacht, maar aan onze eigen zondige aard (Dordtse Leerregels III/IV art.9). Wij zijn van nature geneigd God en onze naaste te haten. Aan deze mensen, die binnen de kring van het verbond zich van God afkeren, is de bedreiging dan ook gericht dat ze de gevolgen van hun keuze zullen meemaken.

Maar…  God houdt ook maat in zijn straf. Waar zijn zegen overvloedig is tot ver buiten het zicht van degene die Hem liefheeft en zijn geboden onderhoudt, is de straf voor hem die God haat beperkt tot aan zijn achterkleinkinderen, een generatie die menselijkerwijs binnen het mogelijke blikveld van de zondaar ligt. Die zondaar wordt dus gestraft in het verdriet dat hij over zijn nageslacht heeft, merkbaar in de generaties na hem die hij zelf menselijkerwijs mee kan maken.

Het contrast in de belofte die erop volgt is dan ook nog mooier. God belooft zijn genade tot in de duizendste generatie aan mensen die Hem willen dienen (1000 keer ongeveer 25 jaar….). Hoe dat te rijmen valt met gedoopte mensen die binnen de gemeente zijn opgegroeid en toch besluiten om hun leven in te richten zonder God daarin een plek te geven? Ik denk dat dat ook genade is, dat je mag leren aanvaarden dat Gods wegen voor ons verborgen zijn, en dat Hij ons geen kalme reis heeft beloofd, maar wel een behouden aankomst.

Wanneer gelovigen in de kerk zich aangesproken menen te moeten voelen door de bedreiging, hoef je daarom helemaal niet te gaan sleutelen aan de zwaarte van deze woorden. Maak helder aan wie deze bedreiging gericht is!
Wie gelooft, merkt dat dat met vallen en opstaan gepaard gaat. Toch zet een gelovige zich in om in zijn/haar leven God te eren en weet dat hij/zij afhankelijk is van de genade in Christus.  Deze gelovige hoeft zich niet aangesproken te voelen door deze dreiging. Deze bedreiging is namelijk niet aan zijn adres gericht.

Ik merk zelf ook dat juist de twijfel (heb ik het wel goed gedaan…) gevoed kan worden door de pijn van gemeenteleden die besluiten om God buiten te sluiten in hun leven. Die merk ik wanneer ik denk aan oud-catechisanten, kinderen uit de familie en de Familie.  Tegelijk vertrouw ik op Gods grote genade, want Hij heeft bij hun doop Zich aan hun leven verbonden. In al deze gevallen geldt “zo lang er leven is, is er hoop” (op bekering). Gebed voor al deze mensen, jong of oud, blijft onze opdracht.

En die twijfel, of die bedreiging aan jou als gelovige gericht is, zou je die twijfel, die onzekerheid ook als aanvallen van Satan kunnen zien die ons een ongemakkelijk gevoel wil geven bij de rechtvaardigheid van God? Dit lijkt mij een heel verdedigbare positie, die ook houvast biedt, want we staan er in die strijd niet alleen voor!

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

^
Homepage

God heeft een blijmoedige gever lief

Deze tekst (uit 2 Korintiërs 9:7) heb ik gekozen om het over collectes in de kerk te hebben – dus niet over de goede-doelen-collectes die thuis aan de deur komen. Wees niet bang, de tekst is niet alleen maar een ‘kapstok’.

Wees er overigens op bedacht dat ik af en toe een zijsprong maak, naar een naastgelegen onderwerp dat ik ook erg belangrijk vind.

In 2004 is Adriaan Soetevent gepromoveerd op het onderwerp “Economische beslissingen onder invloed van de drang om ‘erbij te horen’”. Hiervoor heeft hij onder andere onderzoek gedaan naar kerkcollectes in een gesloten zak en in een open mandje. De opbrengst met een open mandje blijkt tien procent hoger. (Nieuwspagina over dit onderzoek.)

Dit onderzoek is al van enige tijd geleden. Hoe zit het nu? Het valt mij op dat tegenwoordig steeds minder mensen het een probleem vinden om de collectezak (die gebruiken we bij ons in de kerk) door te geven zonder er iets in te stoppen. Vroeger zat daar voor die mensen, en tegenwoordig zit daar voor een heleboel andere mensen nog steeds, een soort psychologische dwang achter: je kunt een collectezak niet laten passeren zonder er iets in te stoppen. Daarom hebben we, denk ik, bij ons twee collectes per dienst per zondag, en soms, voor een bijzonder doel, wel eens een deurcollecte (dat is dan nummertje drie). (Wellicht ten overvloede: bij een deurcollecte komen ‘ze’ niet bij de deuren langs, maar staan ‘ze’ met een collectezak bij de uitgang van de kerk.)

Of ‘de psychologie’ nou wel zo’n goede basis is voor (het aantal) collecte(s)? Als je alleen naar de opbrengst kijkt misschien wel. Ik kom er hieronder nog op terug.

Waar komt het idee van collecteren in de kerk vandaan? Uit de Bijbel, zul je zeggen, maar ik weet zo niet precies waar. Zo verging het mij ook, dus ik heb enkele dingen opgezocht en uitgezocht.

Na een inleiding in 2 Korintiërs 8 komt Paulus in hoofdstuk 9 op het onderwerp “de collecte voor Jeruzalem”.

In zijn eerdere brief, in hoofdstuk 16:1-3, had hij de Korintiërs al voorbereid.

Hoe ga je met zo’n oproep van Paulus om? Daar wist men kennelijk toen wel weg mee, zie alle moeite die Paulus doet om de Korintiërs het een en ander duidelijk te maken, maar ook nu weet men dat wel, kijk maar eens hier; ik vind dit een typische manier om je verantwoordelijkheid te ontlopen (ook al is het zogenaamd ‘leuk’ bedoeld) dus als je geen zin hebt om het te lezen, laat het dan vooral. Mag je dan niet kritisch zijn? Natuurlijk wel! Als Paulus met een heel ‘circus’ van personeel et cetera naar Korinte zou komen, en dus zelf ruimschoots voldoende ‘te makken’ zou hebben om in z’n eentje iets voor Jeruzalem te doen, maar in plaats daarvan zelf een deel van de collecte zou opeisen, heb je wel enig recht van spreken. Vertaald naar nu: schijnheilig vind ik de mensen die voor een charitatieve instelling werken voor een salaris van meer dan € 100.000 en die bij jou komen bedelen of je toch alsjeblieft wat voor hun goede doel wilt geven. Bij dat soort lui denk ik: laat zèlf maar eens zien waarom je voor die instelling werkt. Maar gelukkig zijn er, als je dit soort lieden uitsluit, nog een heleboel instanties over waaraan je kunt geven.

Voor het vervolg ga ik ervan uit dat je een blijmoedige gever bent. Ben je dat niet, dan was lezen tot hieraan toe sowieso al jammer van je tijd.

Waarvoor worden de gaven die Paulus bedoelt gevraagd? Niet voor de eigen gemeente. En wat doen wij? “De eerste collecte is voor de kerk, en de tweede collecte …

Voor het onderhoud van kerkgebouw, pastorie, bijgebouwen, voor het salaris (‘traktement’) van de predikant, et cetera, zouden we niet de collectes moeten gebruiken. Daar hebben we het mooie systeem van de Vaste Vrijwillige Bijdrage (VVB) voor.

Voor wie niet weet wat Vaste Vrijwillige Bijdrage is, heb ik even gekeken of er iets over op Wikipedia staat. Tot nu toe niet, ondanks mijn eigen financiële bijdrage aan die nuttige instantie … 🙂 Dus daarom een korte uitleg: ‘Vast’ staat voor het op regelmatige basis (periodiek) betalen van een gedurende bepaalde tijd onveranderlijk bedrag (mocht je dat bedrag, om wat voor reden dan ook, moeten verlagen, laat het dan even aan de boekhoud(st)er van je kerk weten!), ‘Vrijwillig’ staat voor dat je zèlf de grootte van de ‘Bijdrage’ bepaalt. Dat laatste is niet (helemaal) waar, want als je ruim genoeg (van God gekregen) hebt en je draagt niet naar vermogen bij aan je gemeente, heb je op z’n minst gebrek aan betrokkenheid. Tegenwoordig hebben veel mensen de mond vol over liefde, maar, als je, zoals ik al aangaf, genoeg hebt, kun je hiermee concreet laten zien of die liefde ook inhoud heeft. Denk maar eens aan de uitspraak van Jezus, dat we niet God èn Mammon kunnen dienen (Matteüs 6:24, Lucas 16:13). Je bent zèlf verantwoordelijk voor hoeveel je geeft, daarbij is het niet de bedoeling dat je naar een ander wijst die (ook) weinig of niks geeft. Als je wèl genoeg hebt, maar niet genoeg geeft, ben je bovendien financieel ook nog eens een blok aan het been van je gemeente (past deze manier van formuleren bij 1 Korintiërs 12:12-31?), omdat er wèl zogenaamde quota (zie bijvoorbeeld GKV Financiën en beheer) moeten worden afgedragen. En, ook al zou ik dat misschien niet zo moeten voelen, ik vind het een probleem om dat voor wanbetalers te moeten doen. Ik heb er absoluut geen probleem mee om dat voor mensen te doen die niet zo veel hebben. Maar ik denk dat met een blijmoedige gever iemand bedoeld wordt die ongeacht wat andere mensen doen en naar wie zijn bijdrage uiteindelijk toegaat gewoon geeft.

Maar als er met die Vaste Vrijwillige Bijdrage niet genoeg binnenkomt? Nou, daar hebben de meeste gemeenten een Commissie van Beheer (CvB) voor. Die gaat bij de mensen langs (dat gebeurt meestal niet, maar dat zou dus wel moeten) om ze aan te sporen hun kerkelijke bijdrage te betalen. Levert dat onvoldoende reactie op, dan kunnen de CvB-leden de diakenen vragen eens bij het betreffende adres langs te gaan en te polsen of er financiële nood is (als die dat al niet gedaan hebben); blijkt dat dan niet zo te zijn, en wordt er nog steeds niet voldoende gegeven, dan zou(den) (de) ouderling(en) eens langs kunnen gaan om te zien of er misschien een probleem met de betrokkenheid (liefde!) is (zie ook Armen). In veel kerken laat men de diakenen ‘achter de VVB aan zitten’. Principieel deugt dat niet, vind ik. Diakenen zijn er om de mensen te troosten en te helpen, en om ze aan te sporen andere mensen te troosten en te helpen, en zij moeten dus niet achter de bijdragen voor onderhoud van predikant, gebouw et cetera aan hoeven. Waarom gebeurt het dan zo? Ik denk dat de managers onder de ouderlingen en de CvB-leden het niet willen doen (misschien omdat ze dan eerst wat zelfonderzoek zouden moeten doen voor wat betreft hun geefgedrag?), en de praktische mensen in die groepen het niet zo goed kunnen, en ja, de managers onder de ouderlingen kunnen wèl beslissen dat de diakenen het moeten doen… De zoveelste reden waarom je wèl leiders, maar geen managers onder je ouderlingen moet (willen) hebben. “De belangrijkste taak van een leider is vertrouwen wekken. Het vermogen om dit te doen onderscheidt de manager van de leider.” (Stephen M.R. Covey, ‘De snelheid van vertrouwen’).

Maar ja, de psychologie… er komt nou eenmaal minder binnen als je niet voor de kerk (je eigen gemeente, dus) collecteert en alle kerkelijke bijdragen via de VVB verwacht.

Ik vraag me wel eens af of de reden waarom je iets doet een negatieve invloed op het resultaat kan hebben. Een voorbeeld. Onze overheid heeft jaren geleden een heffing ingesteld voor zogenaamde datadragers (zie Protest tegen nieuwe kopieerheffing op datadragers). Waarom? Omdat er zoveel illegaal gedownload wordt, en de betreffende industrie daardoor tekort komt (alsof daar überhaupt kans op is). Met andere woorden: koop je een nieuwe computer, dan betaal je meteen voor de diefstal die de overheid verwacht dat je gaat plegen. Veel mensen vinden dan ook dat ze, nu ze die heffing betaald hebben, ook wel een filmpje mogen downloaden. En, eerlijk gezegd, vind ik dat een logische gevolgtrekking. Maar dat vindt de industrie uiteraard niet. Op tweakers.net vond ik (ook) dit bericht van 21 december 2017 over schikkingsvoorstellen die aan illegale downloaders gestuurd gaan worden: Dutch Filmworks gaat downloaders schikkingsvoorstel sturen van 150 euro. Denkt de overheid er nu over die heffing te gaan afschaffen? Voor zover mij bekend niet. Voelen mensen zich nu genomen? Ik voelde me dat de hele tijd al, omdat ik wèl die heffing betaal, maar geen illegale films of software of wat dan ook download (wat ik wil zien kan ik via Netflix kijken, en waarmee ik wil werken, koop ik).

Terug naar de collecte. Wat is er mis met om psychologische redenen twee collectes houden? Nou, het heeft geen Bijbelse grond. Maar je mag de wetenschap toch gebruiken? Absoluut. Maar als je m’n punt niet voelt, denk ik dat je al héél ver beïnvloed bent door ‘deze maatschappij’ (vind je misschien ook al dat meedoen met een loterij goed is omdat de opbrengst naar een goed doel gaat?). Want waarom hou je ook alweer een collecte? Om anderen dan je eigen gemeente te helpen. Dus waarom zou je niet wat meer werk steken in het verhogen van de VVB in plaats van een extra collecte te houden? Ik heb zelf al een hele tijd een (psychologische) weerzin tegen collectes voor ‘eigen’ kerkelijke doelen. Uit ‘fatsoen’ mik ik er nog steeds wel wat in (als ondersteuning voor het beleid van de kerkeraad, niet omdat ik de zak niet zonder bijdrage voorbij durf laten gaan), maar voor mij geldt dat ik mijn èchte bijdrage voor predikant, gebouwen et cetera via de VVB doe. En als de ‘kerkelijke’ collectes stoppen, kan ik m’n maandelijkse bijdrage met 5 euro verhogen (da’s nog meer ook, in een maand met maar 4 zondagen 🙂 ). En misschien moet ik met mezelf afspreken dat ik, als de kerkeraad zijn beleid niet aanpast wat dit betreft, die verhoging van mijn VVB maar gewoon moet doen, en dan ga stoppen met bijdragen aan ‘eigen’ kerkelijke collectes.

Het toppunt van ‘belachelijkheid’ vind ik wel dat bij ons in de kerk gecollecteerd wordt voor hulpbehoevende kerken, terwijl wij er zèlf een zijn. Dat zou, in het Bijbelse voorbeeld, betekenen dat Jeruzalem niet alleen ‘voor de kerk’ zou collecteren, maar ook nog eens ‘voor hulpbehoevende kerken’, waarbij dat laatste bedrag dan eventueel gedeeld moet worden met andere hulpbehoevende kerken (misschien met Macedonië, omdat die boven vermogen gegeven hebben? Zie 2 Korintiërs 8:3). Dat er een regeling is voor hulpbehoevende kerken vind ik fijn, zo kunnen we elkaar tot steun zijn. Maar deze manier van uitvoering vind ik nogal teleurstellend. Meer ‘boekhouderig’ dan Bijbels. “Zo kun je die andere hulpbehoevende kerk ook helpen.” Ja …

Ik denk dat collecteren vanuit zo’n verkeerde motivatie (“het levert meer op”) zich op een gegeven moment tegen je gaat keren. Dan wil men ook niks meer geven voor een doel dat wèl geschikt is om voor te collecteren, bijvoorbeeld voor ondersteuning na een ramp.

Volgens mij is het heel belangrijk om de Bijbelse motivatie voor het houden van (een) collecte(s) aan te houden. God heeft een blijmoedige gever lief. Laten we die blijdschap niet bij die gever weghalen door hem ‘psychologisch’ aan te moedigen tot geven.

En als die blijdschap er niet (meer) is? Kijken of we die er (terug) in kunnen krijgen, natuurlijk!

De kerk is geen club. Dat ben ik met onze predikant eens. Maar bij een club heb je wèl de verantwoordelijkheid je contributie te betalen. Bij de meeste clubs is er een regeling voor als je dat niet kunt. Nou, dat hebben we bij de kerk precies net zo! Maar als je het vertikt om te betalen, terwijl je niet in zo’n regeling zit, dan word je bij een club op een gegeven moment geroyeerd. In de kerk niet! Ook niet na langere tijd. En dat is toch vreemd, gezien wat ik hierboven al schreef over de onmogelijkheid om God en Mammon tegelijk te dienen. Geldzucht is namelijk ‘een wortel van alle kwaad’, zie 1 Timoteüs 6:10. Dus misschien moeten we daar eens wat meer op toezien…

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 13 februari 2018.
^
Homepage

Paulus en de Amazones en meer…

Op de website Bezinning Man, Vrouw en Ambt zijn enkele artikelen van prof. dr. Jakob van Bruggen te lezen. Deze artikelen zijn eerder verschenen in De Reformatie. Het eerste artikel heet Paulus en de Amazones (vandaar de titel van dit stukje), het tweede Spreken en Zwijgen van Vrouwen in de Gemeente, en het derde Kerkleden (M/V) of Mannen en Vrouwen in de Kerk?

Verder heeft ds. Rufus Pos er brieven aan zijn kinderen gepubliceerd, die je kunt (mee)lezen.

Het Reformatorisch Dagblad heeft een artikel aan het online komen van de website Bezinning Man, Vrouw en Ambt gewijd, het Nederlands Dagblad niet…

Op de website van Woord en Wereld kunnen alle in Nader Bekeken artikelen over man, vrouw en ambt worden gedownload.

(Als ICT-er/automatiseerder ben ik ervan overtuigd dat ik beter kan verwijzen naar iets goeds dan te proberen het zelf beter te doen…)

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 23 december 2017.
^
Homepage

Waarom en waartoe

Bidden. Hij had geen god, was overtuigd atheïst. Een mens was op zichzelf aangewezen en als je zag wat er om je heen gebeurde in de wereld, kon je slechts concluderen dat daarboven geen overkoepelende instantie zetelde die voor rechtvaardigheid in welke vorm dan ook zorgde.

Uit: Schaduwspel, door Ellen G..

Want zoals de regen en de sneeuw uit de hemel neerdalen
en pas daarheen terugkeren wanneer zij de aarde hebben gedrenkt,
haar hebben bevrucht en met planten bedekt,
wanneer zij zaad hebben gegeven aan de zaaier, en brood aan de eter,
zo zal het ook gaan met mijn woord.
Het komt voort uit mijn mond; het keert niet vruchteloos naar Mij terug,
maar pas wanneer het heeft gedaan wat Mij behaagt,
en alles heeft volvoerd, waartoe Ik het heb gezonden.

Jesaja 55:10-11.

Kinderen en avondmaal

Dit is een onderwerp waarover ik de laatste jaren wat anders ben gaan denken. Het artikel Kinderen en avondmaal van Dr. Aryjan Hendriks in Nader Bekeken van september 2017 is voor mij de aanleiding om er eens iets over te schrijven. (Het artikel is voor zover mij bekend niet online te bekijken.)

Ik heb er wat moeite mee dat kinderen niet met dit sacrament meedoen.

De doop is in de plaats van de besnijdenis gekomen, het avondmaal in de plaats van Pasen (Pascha/Pesach, zie Exodus 12). Meisjes worden ook gedoopt – terwijl alleen de jongens besneden werden -, maar terwijl kinderen wel aan de Pesachmaaltijd mochten (moesten!) deelnemen, doen ze niet mee aan de avondmaalsviering – behalve als toeschouwers.

Een beroep op 1 Korintiërs 11:23-29 vind ik niet zo sterk, in ieder geval te zwaar aangezet. Daar worden nl. de volwassen gelovigen opgeroepen zich christelijker te gedragen, naar aanleiding van hun wangedrag. De instelling van het avondmaal, waarnaar Paulus hier verwijst, is op de volgende plaatsen in de Bijbel te vinden: Matteüs 26:26-30, Marcus 14:22-26, Lucas 22:14-20. Terug naar de oorsprong, zie bijvoorbeeld Marcus 10:6-9, waar Jezus teruggrijpt op de scheppingsorde, die Hij normatief verklaart als het over huwelijksrelaties gaat.

Toen Jezus het avondmaal instelde, waren er geen kinderen bij. Bij de doop van Johannes en de doop van (door) Jezus (zie Johannes 3:22) worden kinderen niet genoemd. Toch vatten wij het zogenaamde zendingsbevel (Matteüs 28:16-20) zó op dat kinderen ook gedoopt moeten worden, als hun ouders (of, als die er niet zijn, hun verzorgers) lid van de gemeente zijn.

De sterke nadruk op ‘belijdenis doen’, iets dat we zèlf hebben toegevoegd, en dan ook nog pas rond het negentiende levensjaar, is iets dat ik niet kan rijmen met ‘doe dit tot mijn gedachtenis’. Dat ‘gedenken’ kan al wel op een jongere leeftijd, zoals bar mitswa, of zoals in de tijd van de reformatoren, rond de leeftijd van tien, elf jaar (in de Rooms-Katholieke kerk wordt deelgenomen aan de eerste communie rond de leeftijd van acht jaar). En dat daar enig onderwijs voor nodig is, dat lijkt mij, en daarin ben ik het met dr. Hendriks eens, wèl duidelijk: je moet iets begrijpen van het offer van Jezus om het te kunnen gedenken. Je moet ‘het lichaam kunnen onderscheiden’.

Dr. Hendriks vindt het verschil in viering, in gezinsverband respectievelijk met de gemeente, voor wat betreft de viering van Pesach en het avondmaal relevant. Maar bij besnijdenis en doop hebben we toch hetzelfde verschil? Besnijdenis gebeurde vroeger doorgaans bij de mensen thuis, en dopen doen we over het algemeen in het openbaar (in ons geval in een eredienst).

Maar treffend is dat de Heiland zich niet aansloot bij het eten van het paaslam. Hij brak brood en reikte een beker uit.

(citaat uit het artikel)

Zo heel treffend vind ik dat niet. Door Jezus’ offer zijn dierenoffers toch niet meer nodig? Hoe had de Heiland zich daarbij kunnen of moeten aansluiten? En voor besnijdenis en doop geldt toch ook dat er een groot verschil is?

Heel jonge kinderen aan het avondmaal lijkt mij geen goed idee. Daarvoor draagt dr. Hendriks naar mijn idee afdoende argumenten aan.

Bij het Pascha mochten (moesten) de kinderen vragen stellen, zie Exodus 12:26-27. Bij het vieren van het avondmaal moet je van tevoren weten wat je gedenkt.

Maar ‘kinderen’ op jongere leeftijd dan nu aan het avondmaal laten deelnemen? Het lijkt mij een goed idee dat we ons als kerken daar eens op gaan bezinnen.

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 21 oktober 2017.
^
Homepage

De gave van gehoorzaamheid

In Genesis 3 kun je het verhaal lezen van de zondeval.

God had de mensen verboden om van één bepaalde boom te eten. Die boom mochten ze zelfs niet aanraken. Van alle andere bomen mochten ze de vruchten wèl eten. En toch…

In Genesis 6 gaat het over de aanleiding tot de zondvloed (en over de bouw van de ark).

In het eerste deel van Genesis 11 gaat het over de torenbouw van Babel.

En zo gaat het de hele Bijbel door… af en toe is er iemand gehoorzaam – maar ook niet altijd -, zoals Noach en Abram, maar meestal gaat het over ongehoorzaamheid.

Nog een stuk of wat stukjes: Jeremia 5:23, 5:30-31; in die laatstgenoemde verzen staat hoe de leiders het volk verkeerd voorgaan, maar dat het volk het graag zo heeft…

En het helpt niks dat God er iets van zegt: Jeremia 6:10.

De mens heeft duidelijk talent voor ongehoorzaamheid; de ‘gave van gehoorzaamheid’ heeft hij kennelijk niet gekregen… Wacht even, dat is niet waar! Zie Genesis 1:26-31 – God zag dat het zeer goed was…

Voordat je je hier vanaf maakt: ook in het Nieuwe Testament vindt God gehoorzaamheid belangrijk. Voorbeelden: Johannes 3:36, 15:10, en 15:14. Dat laatste vers vind ik wel belangrijk om te vermelden. Sommige christenen staan erg snel klaar met de melding dat ze ‘vriend van Jezus’ zijn, of dat Jezus hun vriend is. Maar dat is Hij alleen als je doet wat Hij zegt.

En één van de dingen die Hij zegt, via Zijn dienaren, is dat we Zijn Woord niet mogen verdraaien (2 Petrus 3:14-18), en dat we er niks aan mogen toevoegen of vanaf doen (Openbaring 22:18-19). Dat geldt ook voor teksten die we moeilijk kunnen verklaren, of die sommigen (velen!) onder ons (tegenwoordig) minder goed uitkomen (zoals de in de discussie ‘man vrouw m/v ambt gkv’ vaak weggelaten teksten 1 Timoteüs 3:2 en Titus 1:5-6). ‘Samen dienen’ doen we dan dus niet zoals het rapport voorstelt dat ik eerder besproken heb.

In ieder geval niet zolang we geen betere argumenten hebben dan in dat rapport staan, en zéker niet als mensen de Bijbel gaan uitleggen op een manier zoals ik hier besproken heb.

God vindt gehoorzaamheid belangrijker dan (onze) offers en (onze) gaven: 1 Samuel 13:8-14, 15:22-23, Psalm 40:7-9, 51:18-19, Hebreeën 10:5-10, 1 Petrus 2:1-8.

U moet al deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen niet naar u luisteren. U zult wel tegen hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden.

(Jeremia 7:27)

Zou de mens de gave van gehoorzaamheid willen ontvangen?

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 25 juni 2017.
^
Homepage

Hebben wij eigenlijk wel iets in te brengen?

“Het is onmogelijk niet te zondigen.”

“De mens kan niet niet zondigen.” Augustinus schijnt dat als eerste gezegd te hebben; in ieder geval hebben we het van hem op schrift.

Maar hoe komt dat dan? Doen we dat zelf? Doet God het? Dat laatste wordt in de Bijbel ‘toegegeven’. Lees maar eens Jesaja 63:17. Dat God het hart van de Farao verhardde (Exodus 7:3) weet bijna iedereen. Maar van Zijn eigen volk?!

God zette David aan tot een volkstelling (2 Samuel 24:1) – iets dat David niet had mogen doen, omdat hij de omvang van zijn volk voor zichzèlf en niet tot eer van God wilde weten. Maar in 1 Kronieken 21:1 staat dat Satan David tot de volkstelling aanzette! En David is ook nog eens een keer zèlf verantwoordelijk: hij krijgt straf (zie 1 Kronieken 21 vanaf vers 12).

Er zijn mensen die beweren dat we nu, na de zondeval, geen vrije wil meer hebben, omdat we, zoals gezegd, niet niet kunnen zondigen. En dat we pas weer een vrije wil krijgen als Jezus teruggekomen is. Maar is dat wel zo?

Kijk maar eens naar Kaïn, in Genesis 4:7. God stelt hem daar voor de keuze: wel of niet zondigen. En ook de hierboven al genoemde Farao mocht zelf kiezen – zo zal hij dat in ieder geval zelf hebben gezien; lees Exodus 7:14, waar staat dat de Farao weigerde het volk te laten gaan. Dat deed hij toch echt zelf.

O ja? Onze keuze voor God komt toch van de Heilige Geest? Zie 1 Korintiërs 12:3. Ja, dat klopt! Maar … we moeten toch ook zelf aan onze verlossing werken? In Filippenzen 2:12-13 staat het allebei: we moeten werken aan onze eigen zaligheid, èn God werkt dat in ons, volgens Zijn vrije keuze.

Nou, als dat laatste het geval is, kun je er zelf dus niks meer aan doen!

Als je dat denkt, wil(!) je het niet begrijpen: God roept je op Hem lief te hebben boven alles, en je naaste, je medemens, als jezelf. Dat moet je zèlf doen, je kunt niet zeggen “Ik wacht wel tot God dat in mij gaat werken.”.

Zo zou het voor ons als mensen wèl ‘werken’: òf je doet het zelf, òf een ander doet het. Maar bij God ‘werkt’ het dus anders…

Wij zijn volledig verantwoordelijk voor wat we denken, zeggen en doen. En God werkt het goede in ons (door Zijn Geest).

Moet er bij dat ‘volledig verantwoordelijk’ geen kanttekening geplaatst worden? Bijvoorbeeld: als we bij ons volle verstand zijn? Ik kan en mag daarover geen oordeel uitspreken als het om een ander gaat. Ik ben verantwoordelijk voor mezelf, en daar hoort bij dat ik God en mijn medemens moet liefhebben. Het oordeel is aan God: Johannes 3:18. En dat staat direct na de zo ongeveer populairste tekst in de Bijbel: Johannes 3:16.

En kijk wat je bijvoorbeeld allemaal zelf kunt doen en toch cadeau krijgt: 1 Johannes 2. We doen het goede zelf terwijl God het in ons werkt. Allebei waar…

Dus geen eenzijdige aandacht voor één van beide, alsjeblieft!

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 6 juni 2017.
^
Homepage

De ezel

Koningen hebben wapens en strijdwagens met paarden ervoor. Denk aan het leger van de farao. Ze vertrouwen op hun eigen kracht en die van het leger. Maar de koning van Sion zal een vredekoning zijn die regeert in de kracht van God. Hij komt aanrijden op een ezel. Dat klinkt grappig, maar zo is het niet bedoeld. De ezel was een koninklijk rijdier. Rijden op een ezel was juist een teken van waardigheid. Lees ook eens Genesis 49:10-11 en Matteüs 21:1-9.

Dit is een citaat uit de Jongerenbijbel (zie evt. Zacharia 9). De laatste jaren is “De ezel was een koninklijk rijdier.” een eigen leven gaan leiden. Tot zelfs in preken toe wordt ‘de ezel’ een koninklijk dier genoemd – al is af en toe aan de predikant te merken dat hij zich afvraagt waarom hij het zegt.

Maar dat is toch onzin?! Lees maar wat er staat in Zacharia 9:9:

Nederig komt hij aanrijden op een ezel,
op een hengstveulen, het jong van ezelin.

Waarom zit Jezus op een ezel, en niet op een paard? Omdat Hij een nederige indruk wil maken, omdat Hij nederig is!

En toch wordt, tot in tentamens op het HBO toe, gevraagd waarom de ezel een koninklijk dier is. En als je dan niet het gewenste antwoord geeft, kost dat je punten.Kop van ezel Terwijl het ‘gewoon’ een mening is van iemand die (duidelijk? – dat gaan we zien) niet goed heeft gelezen.

Laten we eens kijken naar Genesis 49:10-11. Waarom zou Juda zijn ezel aan een wijnstok of aan een wingerd binden? Omdat hij in die wijngaard of in de buurt van die wingerd aan het werk is, of aan het genieten van zijn weelde. En, voor de duidelijkheid: uit de context blijkt duidelijk dat het hier, in vers 11, over Juda en zijn nageslacht in het algemeen gaat, niet over de koningen die uit hem zijn voortgekomen en/of over Jezus (zoals in vers 10). Lees maar even verder:

in wijn wast hij zijn gewaad,
in druivenbloed zijn bovenkleed.
Zijn ogen fonkelen door de wijn,
zijn tanden zijn wit van de melk.

Het eerste deel van dit stukje sluit aan op het stukje over het vastbinden van de ezel, zonder een punt als leesteken ertussen – er staat een komma. Er is dus geen reden om wat er over de ezel staat op Jezus toe te passen, in tegenstelling tot wat er in het hierboven genoemde gedeelte van Zacharia 9 staat.

Paarden, dàt waren dieren voor een koning! Daarom was het de koningen van Israel verboden daarvan veel te hebben (zie Deuteronomium 17:16).

Die éne ezel, die waarop Jezus reed, kreeg koninklijke allure. Dat kun je inderdaad wèl lezen uit Matteüs 21:1-9. En dan ook nog bijzondere koninklijke allure, want als Jezus een gewone koning was geweest, die het om de macht te doen was, zou Hij wel op een paard gereden hebben…

Maar om hierom ‘de ezel’ een koninkijk rijdier te noemen, dat vind ik onzin; sterker nog, het is onzin. En het staat er ook nog in de verleden tijd: “De ezel was een koninklijk rijdier.“. Vóórdat Jezus een ezel nam voor Zijn intocht is er volgens mij niemand op het idee gekomen een ezel een koninklijk dier te noemen, of een teken van waardigheid. Iedereen die het zich kon veroorloven er eentje te hebben, reed op een ezel. De broers van Jozef (Genesis 42:27 en volgende hoofdstukken), Bileam (Numeri 22:21 en verder), de oude profeet in Betel (1 Koningen 13:13 en verder),  en zo zijn er vast nog wel meer voorbeelden waarin tamelijk gewone mensen op een ezel reden.

Koningen en prinsen reden niet op ezels. De zonen van David, bijvoorbeeld, reden op muildieren (o.a. 2 Samuel 13:29).

Als het volk Israel daadwerkelijk naar God luistert, zal het gebeuren dat ‘koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, door de poorten van deze stad naar binnen zullen komen, rijdend op wagens en op paarden, …’ (Jeremia 17:24-25).

En zo heel hoog werd een ezel niet gewaardeerd: Mozes zegt in Numeri 16:15 dat hij de opstandelingen nog geen ezel heeft afgenomen.

De leeuw – en soms ook de leeuwin, afhankelijk van de vertaling -, genoemd in het vers vóór Genesis 49:10 en 11 – dus in vers 9 – komt heel wat koninklijker over, en wordt in sommige vertalingen ook zo genoemd (Willibrordvertaling 1975: ‘koning der dieren’; Nieuwe BijbelVertaling: ‘vol majesteit vlijt hij zich neer’).

Maar waar het vandaag om gaat is dat we terugdenken aan de intocht van Jezus in Jeruzalem. Onze nederige Koning, die gekomen is om ons te verlossen. Vandaag roept het volk ‘Hosanna!’, later roept het(zelfde?) volk ‘Kruisig Hem!’. Hij is gekomen omdat Hij ons, de wereld, liefhad. Hij heeft zichzelf vernederd, om ons te kunnen verhogen.

Vandaag Palmpasen, volgende week Pasen.

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 15 juli 2017.
^
Homepage

… en alle mensen die Korach toebehoorden…

Korach, Datan en Abiram. Ik weet nog hoe spannend dat Bijbelverhaal was als de meester dat vertelde.

De titel is een citaat uit Numeri 16.

(Misschien goed om te vermelden: ik verwijs hier en in ’t vervolg met hyperlinks naar de Herziene StatenVertaling, omdat het Nederlands BijbelGenootschap en de Katholieke BijbelStichting hun vertalingen op internet ‘minder toegankelijk’ hebben gemaakt.)

Enige tijd geleden werd er bij ons gepreekt over Korach, Datan en Abiram. Zou On op tijd gestopt zijn met z’n opstandigheid?

Alle mensen die Korach toebehoorden? Zo staat het er toch? Ja, inderdaad. En in de betreffende preek werd er verder geen kanttekening bij geplaatst… en dat vind ik jammer. Vooral omdat de tien geboden in de mijns inziens ongelukkige vertaling van de NBV erbij werden gehaald: “Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten;“. De vertaling NBG 1951 staat mij meer aan: “want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten,”. Er zit voor mij wel een aardig verschil tussen ‘laten boeten’ en ‘bezoeking doen’. En wat ik ook gemist heb, is een opmerking over Ezechiël 18. Ik weet het, een predikant is ook maar een mens, maar de boodschap van de Bijbel eenzijdig brengen terwijl er meer kanten aan zitten, daar houd ik niet van.

Soms gaan mensen ook met zo’n uitleg aan de haal. Ik hoorde laatst iemand stellig beweren dat we uit de hand van God geen kwaad, geen lijden te verduren krijgen. Dat zou allemaal het werk van de duivel zijn. Maar is dat werkelijk zo? Lees maar eens Als ’t kwaad goede mensen treft.

Daarom lijkt het mij een goed idee dat predikanten ‘alle’ kanten van ‘de zaak’ belichten. Ook al ontgaat ons de logica, het gaat wel om de manier waarop God werkt. We zijn vanaf het begin van de schepping uitverkoren, en toch mogen en kunnen we zelf kiezen…

Terug naar de kinderen van Korach. Als we Numeri 26:11 erbij nemen, zien we dat de kinderen van Korach niet omgekomen waren. En in 1 Kronieken 6 vanaf vers 22  zien we details over de nakomelingen van Korach. Er zijn zelfs enkele Psalmen bekend van de nakomelingen van Korach: denk o.a. maar aan “Van de Korachieten, een psalm.”.

Dat neemt niet weg dat nog steeds moeilijk te begrijpen is waarom de kinderen van Datan en Abiram wèl stierven. En waarom de kinderen van Achan (zie Jozua 7 vanaf vers 16) dood moesten. Dat werd overigens, naar mijn idee, wèl vrij goed uitgelegd in de preek: het heeft te maken met de heiligheid van God.

Veel meer werd er trouwens niet over gezegd, en misschien kan dat theologisch wel niet… Daarom geef ik hier mijn mening, waarvan ik denk dat die gebaseerd is op de Bijbel. Die kinderen hoeven God niet per se óók gehaat te hebben, of in opstand gekomen te zijn, of op de een of andere manier ernstig gezondigd te hebben, zoals hun ouders. Denk bijvoorbeeld aan het kind van David en Batseba dat moest sterven (2 Samuel 12 vanaf vers 14). En denk aan de kinderen van Job die omkwamen – dat had in zekere zin ook met de heiligheid van God te maken. Dat je hier, op deze aarde, moet sterven vanwege de heiligheid van God hoeft, denk ik, niet te betekenen dat je niet in Gods Koninkrijk komt.

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 21 oktober 2018.

^
Homepage

De goede herder en de deur

Jezus is de goede herder. Daar is ook een liedje over, zoek maar eens.

In Johannes 10:1-21 gaat het hierover. In het eerste stukje, de verzen 1-6, vergelijkt Jezus zichzelf met de herder van de schapen. In de verzen 7-10 zegt Jezus dat hij de deur is: wie door Hem binnenkomt zal gered worden. Daarna, in de verzen 11-16, noemt Jezus zichzelf de goede herder.

Maar waarom schrijf ik hierover?

Ik heb moeite met het idee dat mensen die Jezus niet hebben (kunnen) leren kennen, verloren zouden gaan. Die mensen kunnen daar toch niks aan doen? Zie bijvoorbeeld Marcus 16:16, waar staat dat wie niet gelooft, veroordeeld zal worden; en 1 Johannes 5:12, waar staat dat je het eeuwige leven niet hebt, als je de Zoon van God niet hebt.

Je kunt mensen, denk ik, wèl verwijten dat ze niet tot de conclusie komen dat God bestaat, en dat Hij iets van mensen wil. Zie Romeinen 1:20-21. Maar kun je ze verwijten dat ze Jezus niet kennen als ze geen toegang hebben tot de Bijbel, om die zelf te lezen of om de boodschap mondeling via iemand anders te krijgen?

Waarom heeft God Jezus naar de aarde gestuurd? Zie Johannes 3:16-18. Om de wereld te redden, toch?! Maar daar staat óók, aan het eind, dat wie niet in Gods enige Zoon gelooft, al veroordeeld is… In de NBV staat er zelfs nog een vorm van het woord ‘willen’ bij, maar in andere vertalingen vind ik dat zo niet terug. Als ‘willen’ er terecht bij staat, hebben mensen die Jezus niet kennen een excuus om niet in Hem te geloven: ze hebben immers nooit van Hem gehoord.

Aan de andere kant heeft Jezus ook uitspraken gedaan als “Wie niet tegen ons is, is voor ons.” (Marcus 9:40). En lees eens Matteüs 25:31-46.

In Johannes 5:22 staat dat Jezus ons zal oordelen. Hij zal bepalen of wij, mensen, bij Hem horen of niet. Hij is de deur (Johannes 10:7-10).

Een citaat uit Romeinen 2:

Want zij die zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, en zij die onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. Niet de hoorders van de wet zijn immers rechtvaardig voor God, maar de daders van de wet zullen gerechtvaardigd worden. Want wanneer heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet zegt, zijn zij, hoewel zij de wet niet hebben, zichzelf tot wet. Zij tonen dat het werk van de wet geschreven is in hun hart. Daar getuigt ook hun geweten van, en hun gedachten onderling beschuldigen of ook verontschuldigen elkaar. Zo zal het gaan op de dag wanneer God de verborgen dingen van de mensen zal oordelen door Jezus Christus, overeenkomstig mijn Evangelie.

Ik heb wel vertrouwen in Zijn genade (zie het vetgedrukte gedeelte hierboven) en Zijn barmhartigheid. En jij?

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

20 december 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen; geen NBV maar HSV (reden).

Laatste wijziging: 20 december 2017.
^
Homepage