Kinderen en avondmaal

Dit is een onderwerp waarover ik de laatste jaren wat anders ben gaan denken. Het artikel Kinderen en avondmaal van Dr. Aryjan Hendriks in Nader Bekeken van september 2017 is voor mij de aanleiding om er eens iets over te schrijven. (Het artikel is voor zover mij bekend niet online te bekijken.)

Ik heb er wat moeite mee dat kinderen niet met dit sacrament meedoen.

De doop is in de plaats van de besnijdenis gekomen, het avondmaal in de plaats van Pasen (Pascha/Pesach, zie Exodus 12). Meisjes worden ook gedoopt – terwijl alleen de jongens besneden werden -, maar terwijl kinderen wel aan de Pesachmaaltijd mochten (moesten!) deelnemen, doen ze niet mee aan de avondmaalsviering – behalve als toeschouwers.

Een beroep op 1 Korintiërs 11:23-29 vind ik niet zo sterk, in ieder geval te zwaar aangezet. Daar worden nl. de volwassen gelovigen opgeroepen zich christelijker te gedragen, naar aanleiding van hun wangedrag. De instelling van het avondmaal, waarnaar Paulus hier verwijst, is op de volgende plaatsen in de Bijbel te vinden: Matteüs 26:26-30, Marcus 14:22-26, Lucas 22:14-20. Terug naar de oorsprong, zie bijvoorbeeld Marcus 10:6-9, waar Jezus teruggrijpt op de scheppingsorde, die Hij normatief verklaart als het over huwelijksrelaties gaat.

Toen Jezus het avondmaal instelde, waren er geen kinderen bij. Bij de doop van Johannes en de doop van (door) Jezus (zie Johannes 3:22) worden kinderen niet genoemd. Toch vatten wij het zogenaamde zendingsbevel (Matteüs 28:16-20) zó op dat kinderen ook gedoopt moeten worden, als hun ouders (of, als die er niet zijn, hun verzorgers) lid van de gemeente zijn.

De sterke nadruk op ‘belijdenis doen’, iets dat we zèlf hebben toegevoegd, en dan ook nog pas rond het negentiende levensjaar, is iets dat ik niet kan rijmen met ‘doe dit tot mijn gedachtenis’. Dat ‘gedenken’ kan al wel op een jongere leeftijd, zoals bar mitswa, of zoals in de tijd van de reformatoren, rond de leeftijd van tien, elf jaar (in de Rooms-Katholieke kerk wordt deelgenomen aan de eerste communie rond de leeftijd van acht jaar). En dat daar enig onderwijs voor nodig is, dat lijkt mij, en daarin ben ik het met dr. Hendriks eens, wèl duidelijk: je moet iets begrijpen van het offer van Jezus om het te kunnen gedenken. Je moet ‘het lichaam kunnen onderscheiden’.

Dr. Hendriks vindt het verschil in viering, in gezinsverband respectievelijk met de gemeente, voor wat betreft de viering van Pesach en het avondmaal relevant. Maar bij besnijdenis en doop hebben we toch hetzelfde verschil? Besnijdenis gebeurde vroeger doorgaans bij de mensen thuis, en dopen doen we over het algemeen in het openbaar (in ons geval in een eredienst).

Maar treffend is dat de Heiland zich niet aansloot bij het eten van het paaslam. Hij brak brood en reikte een beker uit.

(citaat uit het artikel)

Zo heel treffend vind ik dat niet. Door Jezus’ offer zijn dierenoffers toch niet meer nodig? Hoe had de Heiland zich daarbij kunnen of moeten aansluiten? En voor besnijdenis en doop geldt toch ook dat er een groot verschil is?

Heel jonge kinderen aan het avondmaal lijkt mij geen goed idee. Daarvoor draagt dr. Hendriks naar mijn idee afdoende argumenten aan.

Bij het Pascha mochten (moesten) de kinderen vragen stellen, zie Exodus 12:26-27. Bij het vieren van het avondmaal moet je van tevoren weten wat je gedenkt.

Maar ‘kinderen’ op jongere leeftijd dan nu aan het avondmaal laten deelnemen? Het lijkt mij een goed idee dat we ons als kerken daar eens op gaan bezinnen.

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 21 oktober 2017.
^
Homepage