Tagarchief: vrijheid

Vergeld niemand kwaad met kwaad

Waarom niet eigenlijk? Het is enorm effectief! Kijk maar eens in Genesis 4:23.

Lamech koos helemaal voor zichzelf: zie Genesis 4:19-24. Zijn vrijheid stelde grenzen voor die van een ander, om bij het vorige stukje aan te sluiten; die ander had daar maar mee te ‘dealen’.

God wil niet dat wij persoonlijk kwaad met kwaad vergelden; wat de overheid doet valt onder andere regels: zie bijvoorbeeld Exodus 21 vanaf vers 18 en Romeinen 13:1-7.

Waarom wil God eigenlijk niet dat wij persoonlijk de rekening vereffenen met degenen dit ons kwaad doen? Ik kan wel een praktische reden bedenken: ‘bijkomende schade’; als ik zó gruwelijk de pest aan iemand heb dat ik hem om die reden vermoord, doe ik zijn gezin, familie, vrienden, buren, kennissen, et cetera verdriet; en er is grote kans dat ik iemand zó boos maak, dat die mij iets wil aandoen; en voor je het weet heb je dan een vendetta.

God geeft ‘gewoon’ aan dat Hij niet wil hebben dat wij eigen rechter spelen, zie Romeinen 12:17-21. God zal het kwaad wreken; er wordt in vers 19, waar het over wraak gaat, geciteerd uit Deuteronomium 32:35, evenals in Hebreeën 10:30. In vers 17 wordt verwezen naar Spreuken 20:22, Matteüs 5:39, 1 Korintiërs 6:7 en 1 Tessalonicenzen 5:15; in die laatste tekst staat zelfs dat we elkaar moeten weerhouden van het vergelden van kwaad met kwaad.

De wraak aan God overlaten vind ik zelf niet altijd even gemakkelijk, zie bijvoorbeeld mijn stukje over Jona. Iemand anders erop aanspreken is dan ook niet gemakkelijk, tenzij ik aangeef dat ik er zelf ook grote moeite mee heb – dan staan we in ieder geval naast elkaar (en niet tegenover elkaar).

God heeft met iedereen op deze aarde nog geduld, zie 2 Petrus3:9. Hij wil dat iedereen tot bekering komt. En dat kan mijn ‘vijand’ natuurlijk niet als ik hem vermoord heb…

Maar ook als het over minder erge dingen dan moord en doodslag gaat, geldt deze regel van God. We doen elkaar in de kerk ook van alles aan; op deze website kun je daar wel ‘sporen’ van vinden. Hoe gaan we daarmee om? Soms gebeuren dingen in een opwelling, vooral als (vermeende) aantasting van het Woord van God in het geding is; is het goed dat je (geestelijke) broer of zus na te dragen? Is het goed om, als je het om een persoonlijke reden (dus niet vanwege de leer) niet eens bent met je kerkeraad, weg te blijven uit de erediensten? Op zich kan ik er wel begrip voor opbrengen. De laatste twee keer dat wij in onze gemeente Avondmaal hebben ‘gevierd’ heb ik getwijfeld of ik wel zou gaan, en naar ik gehoord heb was ik de enige niet. Uiteindelijk ben ik wel gegaan, maar ik zal niemand veroordelen die van de tafel weggebleven is; wie kan zien wat er in het hart van een mens omgaat (Spreuken 14:10)?  Wegblijven uit de erediensten vindt God niet goed: zie Hebreeën 10:25. Doe je dat toch, dan moet je daar dus een goede reden voor hebben; één die je ook aan Jezus zou kunnen vertellen. Als ik het zo zeg, legt dat een claim, dat besef ik; maar dat is ook mijn bedoeling; we horen bij elkaar!

“… overwin het kwade door het goede.”

Romeinen 12:21.

Zo’n kort stukje, daar in Romeinen 12:17-21, maar zóveel aanwijzingen voor het omgaan met conflicten.

We krijgen nu nog de kans van God om zèlf, met Zijn hulp (bidden om de Geest), onze conflicten op te lossen. Op een dag komt Hij zelf, en dan is Zijn geduld op… (zie bijvoorbeeld Macht).

Reageren kan via e-mail; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 1 september 2019.

^
Homepage

Tot vrijheid geroepen

Tot vrijheid geroepen. Is dat een paradox?

Kort geleden hoorde ik bij ons in de kerk een preek over Galaten 5, en dan in het bijzonder over het eerste deel van vers 13 (NBV): “Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn.”.

De predikant legde uit wat die vrijheid betekent, namelijk dat we vrij zijn van de wet. En dan niet in de zin dat we nu alles maar kunnen doen en laten waar we zin in hebben.

Is dat niet flauw? Dan zijn er dus grenzen aan die vrijheid. Inderdaad, maar als je even verderkijkt, is dat ook wel logisch. Lees bijvoorbeeld 1 Korintiërs 8:9, 1 Petrus 2:16, Judas:4. Dus is ‘tot vrijheid geroepen’ inderdaad een paradox, een schijnbare tegenstelling.

Jouw vrijheid eindigt waar die van een ander begint.” Zo worden vaak de grenzen van vrijheid aangegeven. Maar dat bedoelde, denk ik, de predikant niet. Volgens mij zijn wij geroepen om samen vrij te zijn. Daarom en daarop worden toch de ‘broeders en zusters’ door Paulus aangesproken? De hele wet wordt vervuld in dat we onze naaste liefhebben als onszelf, zie Galaten 5:14. Als we elkaar bijten, mogen we wel oppassen dat we geen kannibalen worden, zie vers 15.

De predikant liet ons kijken naar het rijtje in de verzen 19 t/m 21. Daar herkent je ongelovige buurman zichzelf echt niet in, zei hij. Ook binnen de kerk vind je die dingen. Zo grof? Niet per se; jezelf zoeken, egoïstisch zijn, je tegen elkaar afzetten, weglopen in plaats van doen wat je moet doen, hoort er ook bij; het gaat om de houding. De predikant verwees naar de redenering van de duivel, waar we als mensheid in het begin al ingetrapt zijn, zie Genesis 3:1-5. Het zonder God willen doen…

In de verzen 22 en 23 van Galaten 5 vinden we waar we (nog) in moeten groeien.

De zaken die daar genoemd worden vind je overigens ook buiten de kerk.

Wie denkt dat de scheidslijn tussen goed en kwaad parallel loopt aan die tussen christenen en niet-christenen, is of naïef of christen, en waarschijnlijk allebei.

(Rikkert Zuiderveld, De slimme Rikkert)

Vrucht van de Geest. Gaan we dan zitten wachten op wat de Geest doet? Nee, dat is volgens de predikant niet de bedoeling.

Het is, denk ik, weer typisch zoiets merkwaardigs uit de Bijbel: wij worden opgeroepen iets te doen, en de Geest de ruimte te geven, en de Geest werkt het in ons.

Dàt, en dat we niet meer worden afgerekend op ons (niet) houden van de wet, is dat geen genade?

Laten we daarom onze God liefhebben, en onze medemens (elkaar!) als onszelf. Als we God op de eerste plaats ‘zetten’, kunnen we samen vrij zijn.

Reageren kan via e-mail; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 1 september 2019.

^
Homepage

Jullie moeten de voorschriften van de HEERE in acht nemen, opdat jullie niet sterven

De titel van dit stukje is een citaat uit Leviticus 8:35. In het hoofdstuk waar dit vers deel van uitmaakt gaat het over de wijding van Aäron en zijn zonen tot priester.

De mannen blijven een week bij de tent van samenkomst. Daarna moet Aäron daadwerkelijk als priester optreden: zie Leviticus 9.

Maar daarna gaat er iets gruwelijk mis.

Nadab en Abihu, de twee oudste zonen van Aäron brengen ‘vreemd vuur’ voor het aangezicht van de HEER (Leviticus 10:1-7). (Overigens vind ik ‘aangezicht’ (HSV) een minder vreemd woord dan ‘gelaat’ (NBV, zie aantekeningen bij de priesterzegen).) De beide mannen worden door het vuur dat uitgaat van het aangezicht van de HEER verteerd.

Wat een keiharde straf! Een stel van die jonge kerels – ze hadden in ieder geval nog geen kinderen, zie Numeri 3:4 en 1 Kronieken 24:2 – die in hun enthousiasme een fout maken?! Het is toch mooi, wat ze doen?

Ja, we kunnen zeggen dat ze het hadden kunnen weten. Zie bovenaan dit stukje.

God gaat hier naar ‘onze maatstaven’ erg ver om Zijn heiligheid duidelijk te laten blijken. Maar wie zijn wij om kritiek te hebben op God? Zie bijvoorbeeld Jesaja 29:16, Jeremia 18:6.

Waar ik verder nog aandacht voor wil vragen is dat over deze gebeurtenis niet geschreven staat dat God verboden had wat Nadab en Abihu deden; er staat dat Hij het niet geboden had!

Wij zijn nog weleens makkelijk, zo van “De Bijbel verbiedt het niet, dus moet het kunnen.”. Misschien een goed idee om daar wat voorzichtiger mee te zijn? Tegenwoordig vallen er, voor zover mij bekend, geen directe doden meer bij het ongehoorzaam zijn aan de geboden van God. Maar het zou wel kunnen dat je je eigen eeuwige leven, en/of dat van je kinderen, klein- en achterkleinkinderen in de waagschaal stelt; zie Voor de schuld van de ouders….

God wil graag gediend worden, maar dan wel op de manier die Hij heeft bepaald. En dat kan (tegenwoordig, maar – en doe vooral niet onnozel – vroeger ook al) dwars tegen maatschappelijke tendenzen ingaan.

Bedenk goed dat God liefhebben betekent Hem gehoorzamen. Zie bijvoorbeeld 1 Johannes 2.

Wij koppelen liefde meer met vrijheid, en minder of helemaal niet met gehoorzaamheid. Maar vraag je eens af wat dat voor vrijheid is? De christelijke vrijheid geeft je ruimte in zaken waarover God geen geboden heeft gegeven.  En ook daarbij moet je goed bedenken dat wat jij wilt misschien wel tegen Gods Woord ingaat. Bestudeer je Bijbel goed! Misschien is het wel verstandig om op zoek te gaan naar iets dat jouw standpunt niet ondersteunt.

Als afsluiting een (hopelijk) confronterende vraag: wil jij deze God wel als jouw God?

Reageren kan via e-mail; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 1 september 2019.
^
Homepage

Wees gastvrij

Vanochtend vierden wij hier in Bruchterveld het Heilig Avondmaal. Onze predikant hield vooraf een korte preek, met als kern ‘wees gastvrij’ (gebaseerd op Romeinen 12:13b). Hij vermeldde ook Leviticus 19:33-34, waar het volk Israël erop gewezen wordt dat het goed voor vreemdelingen moet zorgen. En Maleachi 3:5, waar God o.a. zegt dat Hij zal getuigen tegen allen die vreemdelingen geen plaats gunnen.

En het is niet meer dan logisch dat als God voor vreemdelingen (vluchtelingen?!) zorgt, wij dat ook moeten doen. Lees maar Matteüs 7:12.

Reageren kan via e-mail; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

29 november 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen: geen NBV maar HSV (reden).

Laatst gewijzigd: 1 september 2019.
^
Homepage

Christenen… dat zijn toch die mensen die niks mogen?

Waar komt dat idee vandaan? Laten we eens proberen daar achter te komen.

Sommige mensen stellen zich God voor als iemand die je geen plezier gunt. Zijn geboden beperken je in je ontwikkeling, in het maken van plezier, …

Een voorbeeld. Je bent kleuter, en je wilt graag in de speeltuin spelen. Die speeltuin is helemaal afgestemd op jouw leeftijd en jouw mogelijkheden. Toch mag je er van je ouders niet in. Zonder goede reden.

Veel mensen denken dat God net zo is als deze ouders. Hij misgunt ons ons plezier.

Een ander voorbeeld. Je bent kleuter, en je hebt nog niet leren zwemmen. Je wilt graag de zee in, maar je ouders laten je niet verder gaan dan tot je knieën als ze je niet vast hebben. Je mag niet verder, tenzij je vader of moeder je vasthoudt.

Er zijn ook mensen die denken dat God op deze ouders lijkt – of deze ouders op God.

Nog een voorbeeld: in een dierentuin staan bij de verblijven van gevaarlijke dieren vaak waarschuwingsbordjes dat je niet over de omheining moet klimmen. Doe je dat toch, dan loop je een groot risico…

Laat ik je een ‘geheim’ verklappen: God houdt van mensen. Hij heeft ze zèlf gemaakt (geschapen), en toen het vrij kort na het begin al fout ging (zie Genesis 3:1-7), had Hij al een plan klaar… Dat plan wordt in het kort weergegeven in Johannes 3:16: “Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”.

Als jij God beschuldigt van het jou niet gunnen van je plezier zou je, denk ik, beter kunnen overwegen om je Bijbel eens (wat beter) te gaan lezen.

Want hoe kun je God goed leren kennen? Inderdaad, door in de Bijbel te lezen, en God te vragen je dingen duidelijk te maken.

En dan zijn er vast wel dingen waarvan jij denkt “Waarom mag ik dat niet?” en waar jij het gevaar niet van ziet. Maar als God heeft gezegd dat je dat niet moet doen, wees dan maar verstandig, en luister. Want ouders mogen dan over het algemeen heel wat wijzer zijn dan peuters en kleuters, God is oneindig veel wijzer en verstandiger dan wij. Hij weet wat goed is voor mensen. Hij heeft ze immers zelf gemaakt?

Reageren kan via e-mail; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

29 november 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen: geen NBV maar HSV (reden).

Laatst gewijzigd: 1 september 2019.
^
Homepage

Ieder huisje heeft zijn kruisje

Een bekende uitdrukking! Maar hoe vatten we dit op? Meestal als: sommige mensen worden getroffen door een ziekte, anderen door een handicap, weer anderen door honger, oorlog, armoede, rampen… of door een combinatie hiervan.

Maar is dit wel zoals Jezus het bedoeld heeft? Zie voor zijn uitspraak b.v. Marcus 8:34.

Uit het boek de humor van de bijbel door Okke Jager (1954) citeer ik hier een stukje, waarvan ik denk dat daarin goed wordt uitgelegd wat ‘je kruis dragen’ betekent.

-0-0-0-

De weleens geponeerde stelling, dat een christen altijd iets te zingen moet hebben, wil bijbelser dan de Bijbel zijn. Nog altijd gaan zulke exclamaties over de gebogen hoofden van leeddragers heen; dat zal wel duren, zolang honderden christenen het “vrolijk-kruisdragen” verkeerd blijven uitleggen. God vraagt niet van moeders in Zeeland, dat zij vrolijk moeten zijn, als zij hun kinderen één voor één in de golven zien glijden. God eist niet, dat wij met een blijde glimlach om Moeders sterfbed staan, ook al ontslaapt zij in Jezus. God wil niet, dat wij zwart wit noemen. Daarom moeten wij het afleren, om een zwaar verdriet “een kruis” te noemen. God hangt Zijn kinderen niet aan een kruis. Alleen wie onder de vlóek ligt, komt aan het kruis terecht. Het kruis, dat wij moeten dragen, is niet onze rheumatiek en ons gebrek aan woonruimte, maar het vloekhout, waaraan wij onze oude Adam vastspijkeren.

En nu zien wij, hoe er ook al humor ligt in het kruisigen van de zonde. Laten wij maar niet het “vrolijk” uit het gebed voor de Doop verklaren als een samentrekking uit “vromelijk” of “dapper”; laten wij maar rustig spreken over een vrólijk kruisdragen. Als mijn oude mens weer eens goed zit vastgeklonken aan zijn kruis om daar te verbloeden en te vergaan, dan neem ik dàt kruis op met een vrolijk hart en ik kàn het niet laten, te làchen om de laatste stuiptrekkingen van mijn oude Adam.

’s Morgens als wij wakker worden, grijpen wij die oude Adam beet: hier jij! aan het kruis! ik wil niet dat je vandaag de baas speelt over mij! – en vrolijk tillen wij dat kruis omhoog en dragen het door de dag naar de avond. Wij hebben plezier in dat kruis, want het doet ons góed, dat ons oude ik daar hangt te sterven.

De gangbare gedachte is: wij moeten vrolijk zijn, zèlfs als wij een kruis dragen. Maar: wij kunnen alléén maar vrolijk zijn, àls wij ons kruis dragen. Het gebrek aan vrolijkheid onder christenen is niet te wijten aan een tevéél, maar aan een schreeuwend tekòrt aan kruisen. Zolang wij onze oude mens nog niet uitgelachen en vastgespijkerd hebben, staan wij niet open voor de vrolijkheid.

Jezus kon Zijn kruis niet vrolijk dragen, maar wij krijgen dan ook niet een verkleind formaat van het kruis van Jézus op de schouder. Zijn kruis is uniek. Ons kruis is zwaar om het van de grond te tillen (zelfverloochening!), maar het is licht om te dragen. Het is lichter mèt dat kruis te lopen dan zònder dat kruis. Ons kruis brengt verademing. Onze kruiswoorden zijn gezangen. Kruisdragers zijn vrije mensen. Wij zijn niet vrolijk ondanks ons kruis, maar het is juist dat kruis, dat ons zo vrolijk maakt.

-0-0-0-

Als ik zo op internet rondkijk, vind ik alleen maar tweedehands exemplaren van dit boek. En dat is jammer, want ondanks het iets verouderde “taalkleed” vind ik dit boek prima leesbaar, en voor leiders in de kerk een ‘must’. 😉

Reageren kan via e-mail; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

29 november 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen: geen NBV maar HSV (reden).

Laatst gewijzigd: 19 mei 2019.
^
Homepage