Tagarchief: Pasen

Pasen

Afgelopen zondag (21 april 2019) was het voor ons Pasen, a.s. zondag (morgen, 28 april 2019, dus) zal het dat voor de ‘orthodoxe’ christenen zijn (b.v. in Oekraïne, waar men elkaar op een bijzondere manier groet op de Paasmorgen, zie Христос воскрес! Воістину воскрес!). Deze hele week is het Pesach, het feest dat aan de basis ligt van ons Pasen.

Maar waarom vallen de data waarop Pasen gevierd wordt niet samen? Volgens Wikipedia zijn de data verschillend sinds het Eerste Concilie van Nicea (325).

De redenen waarom dit gebeurd is doen mij niet direct denken dat ‘naastenliefde’ daarbij zat… maar misschien wel een verkeerd idee van het liefhebben van God.

Triest.

Maar gelukkig is het elk jaar weer Pasen! In de evangeliën staat daarover het een en ander opgetekend: Matteüs 28, Marcus 16, Lucas 24, Johannes 20.

Zie evt. ook … meer dan vijfhonderd …

Er komt een tijd dat het elke dag Koningsdag is.

Laatste wijziging: 20 mei 2019.

Kinderen en avondmaal

Dit is een onderwerp waarover ik de laatste jaren wat anders ben gaan denken. Het artikel Kinderen en avondmaal van Dr. Aryjan Hendriks in Nader Bekeken van september 2017 is voor mij de aanleiding om er eens iets over te schrijven. (Het artikel is (in pdf-formaat) voor zover mij bekend online te bekijken, via deze link, en dan een (door)bladeren naar pagina 256.)

Ik heb er een beetje moeite mee dat kinderen niet met dit sacrament meedoen.

De doop is in de plaats van de besnijdenis gekomen, het avondmaal in de plaats van Pasen (Pascha/Pesach, zie Exodus 12). Meisjes worden ook gedoopt – terwijl alleen de jongens besneden werden -, maar terwijl kinderen wel aan de Pesachmaaltijd mochten (moesten!) deelnemen, doen ze niet mee aan de avondmaalsviering – behalve als toeschouwers.

Een beroep op 1 Korintiërs 11:23-29 vind ik niet zo sterk, in ieder geval te zwaar aangezet. Daar worden nl. de volwassen gelovigen opgeroepen zich christelijker te gedragen, naar aanleiding van hun wangedrag. De instelling van het avondmaal, waarnaar Paulus hier verwijst, is op de volgende plaatsen in de Bijbel te vinden: Matteüs 26:26-30, Marcus 14:22-26, Lucas 22:14-20. Terug naar de oorsprong, net als in Marcus 10:6-9, waar Jezus teruggrijpt op de scheppingsorde, die Hij normatief verklaart als het over huwelijksrelaties gaat.

Toen Jezus het avondmaal instelde, waren er geen kinderen bij. Bij de doop van Johannes en de doop van (door) Jezus (zie Johannes 3:22) worden kinderen niet genoemd. Toch vatten wij het zogenaamde zendingsbevel (Matteüs 28:16-20) zó op dat kinderen ook gedoopt moeten worden, als hun ouders (of, als die er niet zijn, hun verzorgers) lid van de gemeente zijn.

De sterke nadruk op ‘belijdenis doen’, iets dat we zèlf hebben toegevoegd, en dan ook nog pas rond het negentiende levensjaar, is iets dat ik niet kan rijmen met ‘doe dit tot mijn gedachtenis’. Dat ‘gedenken’ kan al wel op een jongere leeftijd, zoals bar mitswa, of zoals in de tijd van de reformatoren, rond de leeftijd van tien, elf jaar (in de Rooms-Katholieke kerk wordt deelgenomen aan de eerste communie rond de leeftijd van acht jaar). En dat daar enig onderwijs voor nodig is, dat lijkt mij, en daarin ben ik het met dr. Hendriks eens, wèl duidelijk: je moet iets begrijpen van het offer van Jezus om het te kunnen gedenken. Je moet ‘het lichaam kunnen onderscheiden’.

Dr. Hendriks vindt het verschil in viering, in gezinsverband respectievelijk met de gemeente, voor wat betreft de viering van Pesach en het avondmaal relevant. Maar bij besnijdenis en doop hebben we toch hetzelfde verschil? Besnijdenis gebeurde vroeger doorgaans bij de mensen thuis, en dopen doen we over het algemeen in het openbaar (in ons geval in een eredienst).

Maar treffend is dat de Heiland zich niet aansloot bij het eten van het paaslam. Hij brak brood en reikte een beker uit.

(citaat uit het artikel)

Zo heel treffend vind ik dat niet. Door Jezus’ offer zijn dierenoffers toch niet meer nodig? Hoe had de Heiland zich daarbij kunnen of moeten aansluiten? En voor besnijdenis en doop geldt toch ook dat er een groot verschil is?

Heel jonge kinderen aan het avondmaal lijkt mij geen goed idee. Daarvoor draagt dr. Hendriks naar mijn idee afdoende argumenten aan.

Bij het Pascha mochten (moesten) de kinderen vragen stellen, zie Exodus 12:26-27. Bij het vieren van het avondmaal moet je van tevoren weten wat je gedenkt.

Maar ‘kinderen’ op jongere leeftijd dan nu aan het avondmaal laten deelnemen? Het lijkt mij een goed idee dat we ons als kerken daar eens op gaan bezinnen.

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

Laatste wijziging: 24 mei 2019.
^
Homepage

Христос воскрес! Воістину воскрес!

Wat zullen we nou krijgen? Russisch!? Nee, Oekraïens. Dat lijkt wel wat op Russisch, maar het verschil is, denk ik, vergelijkbaar met het verschil tussen Nederlands en Fries.

En wat betekent het? Als mensen elkaar tegenkomen op de Paasmorgen zegt de één: “Христос воскрес!”, en de ander antwoordt: “Воістину воскрес!”, oftewel de één zegt: “Christus is opgestaan!”, en het antwoord is “Hij is echt opgestaan!”.

En over dat laatste wil ik het hebben.

Hij is echt opgestaan!

Daarover, en over wat er kort daarna gebeurde, wordt verteld in Matteüs 28, Marcus 16, Lucas 24 en Johannes 20 en 21.

Er zijn mensen die beweren dat Jezus Christus, (Christus = Messias, betekenis ‘gezalfde’), niet echt uit de dood is opgestaan. Sommigen van die mensen willen dan nog wel geloven dat Hij belangrijk is voor ons leven, als voorbeeld. Maar dat is onzin! Dat vind ik niet alleen, dat denk ik niet alleen, maar dat is zo. Waarom? Lees maar eens, met deze opmerkingen in je achterhoofd, 1 Korintiërs 15.

Is je iets opgevallen?

Ik kan hiervandaan niet zien of je ja knikt of nee schudt, en ook niet horen of je ja of nee zegt. Lees daarom nog maar eens de verzen 12 t/m 19 van 1 Korintiërs 15.

Als Christus niet is opgewekt, heeft het geen zin in Hem te geloven.

Dus, als je niet gelooft dat onze Heer Jezus Christus daadwerkelijk uit de dood is opgestaan, stop dan maar met lezen, want wat ik verder hieronder nog schrijf, heeft voor jou geen enkele waarde, hooguit om ermee te spotten – en, mocht je die neiging hebben, in het Bijbelboek Spreuken staat van alles over spotters, maar Jezus heeft ook gezegd: “… gooi je parels niet voor de zwijnen…” (Matteüs 7:6)…

Jezus Christus is dus inderdaad, echt, daadwerkelijk, opgestaan uit de dood.

Veel mensen vinden het prachtig om zaken uit de Bijbel abstract op te vatten. Dat kan verschillende voordelen hebben, denk ik: je lijkt in de ogen van de ongelovigen wat minder dom, je bent wat meer acceptabel, ‘salonfähig’; en je kunt je gemakkelijker onttrekken aan het morele beroep dat door de Bijbel op je gedaan wordt.

Op een gegeven moment willen enkele schriftgeleerden en farizeeën graag een teken van Jezus zien, zie Matteüs 12:38-42. Wat ze krijgen is het teken van Jona. (Ik neem aan dat sommige van de sceptici die ik hierboven heb gevraagd te stoppen met lezen nog steeds lezen.) Jona levend in een grote vis? En dat zou echt gebeurd moeten zijn? Nog niemand heeft een vis op deze aarde ontdekt waarin, waarmee, dat zou kunnen! En tòch is het echt gebeurd – anders zou Jezus dit voorbeeld niet hebben gebruikt.

Er zijn vast ook wel mensen (die nog steeds dit stukje lezen) die niet geloven dat Adam de eerste mens was. Zie ook mijn stukje over evolutie en theologie. Is dat zo belangrijk dan, dat je gelooft dat Adam de eerste mens was? Ik verwijs naar enkele verzen uit het al eerder genoemde 1 Korintiërs 15, nl. de verzen 45 t/m 49. En verder naar Romeinen 5:12-21. En ook al heb je die stukken al heel vaak gelezen, lees ze nog maar een keer!

Theologisch moet Adam wel echt bestaan hebben…

Wellicht is het een goed idee om jezelf (weer) eens af te vragen of je goedgelovig of goed gelovig bent.

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

2 december 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen: geen NBV maar HSV (reden).

Laatste wijziging: 19 mei 2019.
^
Homepage