Tagarchief: Abraham

Doe geen moeite!

Dat hoor je hier in de buurt wel eens als iemand je komt bezoeken, en je hem of haar iets te drinken aanbiedt. Zo iemand zegt dat dan vaak uit beleefdheid.

Ik weet dat (van die beleefdheid) nooit zeker, dus ik bied het vaak twee of drie keer aan, zeg erbij dat ze wat mij betreft niet uit beleefdheid hoeven te weigeren, en als ze dan nog steeds niks willen drinken, wil ik achteraf niet (via via? foei!) te horen krijgen “Die vent biedt je ook niks aan als je langskomt! Kom je daar uit de goedheid van je hart…”. 😉

Vanwege mijn werk word ik vaak gebeld door engelstalige tussenpersonen, bemiddelaars tussen eindklanten en ‘consultants’, zoals ik. Ze vragen dan bijna altijd “How are you?”, maar willen het antwoord niet weten. Als echte automatiseerder moet ik zoiets af en toe toch letterlijk opvatten, en antwoord dan “I’m fine, and you?”. Slimmeriken antwoorden dan met zoiets als “Thank you for asking, I’m not bad.” en gaan vervolgens over tot het doel van het gesprek, nl. of ik beschikbaar ben voor een klus. (Waarom mailen ze me daar niet gewoon over? Vind ik veel handiger… 🙂 )

Er is natuurlijk niks mis met beleefdheid: “Laat iedereen u kennen als vriendelijke mensen.” (uit Filippenzen 4:5). Vroeger was men daar, denk ik, beter in dan nu. Een mooi voorbeeld uit de Bijbel: Abraham wil een graf kopen om zijn overleden vrouw Sara te kunnen begraven, lees maar eens Genesis 23. Mooi, die onderhandelingen: Abraham die zegt de hoofdprijs te willen betalen, en Efron die hem daarbij volledig tegemoetkomt, als Abraham het (niet serieuze) aanbod om het stuk grond voor niks over te nemen afwijst. Maar het is wel een gewoonte die je moet kennen, om ‘m te kunnen waarderen, en er op de juiste manier mee om te gaan. Bij latere onderhandelingen zal er vast wel een keer een advocaat bij geweest zijn die iemand als Efron op zijn eigen woorden vastgezet heeft, want tegenwoordig heeft men volgens mij nergens meer de gewoonte om iets voor niets aan te bieden in de hoop dat de ander begrijpt dat-ie toch wel geacht wordt ervoor te betalen. 😉

Overigens was deze gewoonte in de tijd van koning David nog in zwang, zie 2 Samuel 24:21-24.

Uit later tijd is er een fabel, over een leeuw met drie raadsleden: een jakhals, een raaf en een wolf. Op een gegeven moment komt een kameel bescherming zoeken bij koning leeuw. De leeuw vindt de kameel een aardig dier, dus mag hij blijven. Maar enige tijd later raakt de leeuw vrij ernstig gewond, en is dan niet meer in staat te jagen. Z’n raadslieden, die altijd meeaten van de ‘tafel’ van de leeuw, bedenken een plan: ieder biedt zich aan als eten voor de leeuw, waarbij de andere twee dan moeten protesteren. De kameel zal zich dan ook aanbieden, en voilà: het probleem van het eten is opgelost. Mocht de koning nog scrupules kennen, dan lossen de raadslieden die wel voor hem op: de kameel wordt, nog bijna voordat hij uitgesproken is, verscheurd…

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

2 december 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen: geen NBV maar HSV (reden).

Laatste wijziging: 2 december 2017.
^
Homepage

Herkennen we elkaar later?

Voor veel mensen is dit een belangrijke vraag. En al mogen we het niet belangrijker vinden dan Jezus liefhebben (zie Lucas 14:26), veel mensen vinden het wèl belangrijk! Als je wat in het rond zoekt kun je wel meer stukjes over dit onderwerp vinden, b.v. van Reinier Sonneveld, van Jaap Fijnvandraat, en een preek van René van Loon (pdf).

Maar eerst wil ik ingaan op de tekst waarnaar ik hierboven verwijs. In de Nieuwe Bijbelvertaling begint Lucas 14:26 zo: “Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder …”. Ik vind het een slechte vertaling, slechter dan de NBG-vertaling van 1951 “Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder …”. Waarom? Omdat ‘haten’ veel sterker is dan ‘breken met’, en je dus gemakkelijker het absurde van de vertaling inziet. De aantekeningen bij de Nieuwe Bijbelvertaling bij Lucas 14:26 maken het wel helderder: “Het gaat om de bereidheid om het meest dierbare op te geven, van minder belang te achten.“. Dan zet je dat er toch neer?! Of je zorgt voor een verklarende opmerking onder aan de pagina… Dat laatste vind ik beter, want dan houd je de vertaling zo letterlijk mogelijk – mèt respect voor de doeltaal – en wordt de lezer niet onnodig op het verkeerde been gezet.

Dan nu terug naar het onderwerp: herkennen we elkaar later?

Ik laat een aantal Bijbelteksten de revue passeren.

In 1 Samuel 28:11-14 wordt Samuel in opdracht van Saul opgeroepen door een dodenbezweerster. De vrouw herkent Samuel, en Saul herkent hem van de beschrijving door de vrouw.

Op een gegeven moment komen Mozes en Elia onze Heer Jezus bemoedigen, zie Matteüs 17:3-4 en Lucas 9:30-33. Hoewel Petrus deze mannen nog nooit gezien heeft, herkent hij ze meteen.

De sadduceeën, die niet in de opstanding uit de doden geloven, vragen Jezus hoe het zit met een vrouw die achtereenvolgens met zeven broers getrouwd is geweest, zie Matteüs 22:23-33 en Marcus 12:18-27. Jezus’ antwoord is volgens mij veelzeggend: “… Want bij de opstanding trouwen de mensen niet…”. Als we elkaar niet zouden herkennen, had Hij dat toch kunnen zeggen? Hij zegt immers ook “… ze zijn dan als engelen in de hemel.” – engelen zijn ook niet getrouwd.

In de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus herkent de rijke man Lazarus en Abraham. Een bekende tegenwerping is dat het hier om een gelijkenis gaat, waarin aangesloten wordt bij de beleving van hemel en hel van die tijd. Maar geloof je nou werkelijk dat onze Heer Jezus ons een verhaal zou vertellen waarin onwaarheden zitten?

Tegen de ene misdadiger, die naast Hem aan het kruis hangt, zegt Jezus dat die nog dezelfde dag met Hem in het paradijs zal zijn (Lucas 23:42-43). In ieder geval zal die man dan Jezus herkennen.

Een heel sterk argument vind ik zelf 1 Korintiërs 13: de liefde blijft!

En onze lichamen zullen veranderen, zie 1 Korintiërs 15:50-54. Er gebeurt dus iets met onze ‘oude’ lichamen. Dat zou niet nodig geweest zijn als…

Er zijn nog wel meer teksten te vinden. Ga maar eens op zoek!

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

2 december 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen: geen NBV maar HSV (reden).

Laatste wijziging: 2 december 2017.
^
Homepage

Wist Abraham dat hij naar de hemel zou gaan?

In Lucas (hoofdstuk 16:19-31) kunnen we een gelijkenis lezen van onze Heer Jezus, waarin Abraham zich in de hemel bevindt.

In Matteüs (hoofdstuk 22:23-32) toont Jezus de opstanding uit de doden aan door aan te geven dat God de God is van Abraham, Isaak en Jakob, en dat hij geen God is van doden, maar van levenden.

Zou Abraham tijdens zijn leven hier op aarde geweten hebben dat hij later naar de hemel zou gaan? Als je Hebreeën 11:8-16 mag geloven, wel!

Sommige mensen brengen daartegenin dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën deze kennis aan Abraham en zijn tijdgenoten toeschrijft, terwijl het helemaal niet waar hoeft te zijn dat hij (Abraham, dus) ervan geweten heeft.

Dat standpunt heeft, denk ik, te maken met het feit dat wij nu over meer kennis kunnen beschikken dan de mensen van vroeger – de geschiedenis wordt immers steeds langer. Maar als je die kennis niet gebruikt… of als je zeker meent te weten dat een belangrijk stukje kennis iets is van later tijd… of als je denkt dat we nu automatisch slimmer zijn dan de mensen van vroeger… of als je niet wilt geloven dat de schrijver van de brief aan de Hebreeën gelijk heeft…

Waarom zouden de mensen vanaf Adam en Eva niet geloofd hebben in een leven na dit leven? God belooft immers in Genesis 3:15 dat de relatie tussen Hem en de mensen weer goed wordt? En ook toen leek het leven zònder God toch al (veel) gemakkelijker dan mèt God? Tenminste, als God je sterker gemaakt had dan de andere mensen… zie b.v. de geschiedenis van Lamech. Dus waarom zou je dan voor een leven met God kiezen?

Toch denk ik dat het interessant is om in het Oude Testament naar aanwijzingen te zoeken voor kennis van de mensen van toen over een leven ná hun aardse leven.

In Genesis 5:21-24 kunnen we lezen over Henoch, die ‘wandelde met God’. Na 365 jaar nam God hem weg. Zijn tijdgenoten moeten op z’n minst doorgehad hebben dat hij niet ‘gewoon’ gestorven was.

Mozes, Aäron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten van Israël zijn enige tijd bij God te gast: Exodus 24:9-11. Laat zich dat rijmen met niet weten dat er een leven ná dit leven is?

Nehemia vraagt God om hem ten goede te rekenen wat hij voor het volk heeft gedaan (Nehemia 5:14-19). Zou hij bedoelen ‘voor dít leven’?

Job had tien kinderen en was erg rijk (Job 1:2-3) . Nadat hij alles kwijtgeraakt is, behalve zijn vrouw (!), zegent God hem: hij wordt ongeveer twee keer zo rijk, en krijgt ‘opnieuw’ tien kinderen (Job 42:12-13). Waarom geen twintig kinderen? Nou, hij hàd er toch al tien!? (Uiteraard kun je je er vanaf maken met gebruik van het woord ‘allegorisch’.)

Psalm 1:6: De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen, … O ja? Is dat zo? En Nabot (1 Koningen 21:1-16) dan? En al die profeten die vermoord zijn? Vergelijkbaar: Psalm 5:12-13.

Psalm 10:17-18: geen mens kan de verdrukten uit het land verjagen?

Psalm 11:7: de oprechte zal het gezicht van de HEER (‘Ik ben’, ‘Ik zal er zijn’) zien. Hier, op deze aarde? (Sommigen wel, zie hierboven bij Exodus 24).

En wat dacht je van Psalm 15?

Psalm 41:13: … en mij voorgoed laat wonen in uw nabijheid.

Er is nog véél meer aan te voeren, maar ik laat het hier voorlopig bij. Net als de hoorders van een goede preek moeten de lezers van dit stukje zèlf aan de slag. 😉

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

25 november 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen: geen NBV maar HSV (reden).

Laatste wijziging: 25 november 2017.
^
Homepage