Pijnpunten rond vrouw en ambt

De titel van dit stukje is identiek aan de titel van het via gkv.nl te downloaden ‘1e-rapport-MVEA-pijnpunten-rond-vrouw-en-ambt.pdf’. (Koppeling naar downloadlocatie rapport 29 mei 2019 (onderaan de pagina).) Kun je het niet vinden? Probeer het dan eens te vinden met Google.

Het rapport is gericht aan de eerstvolgende synode, die van 2017 te Meppel, en aan alle plaatselijke kerkeraden. Ook kerkleden worden opgeroepen het te lezen. Ik ga er in het vervolg van dit stuk vanuit dat je het genoemde rapport gelezen hebt, en het erbij hebt.

Hoe sta ik er zelf tegenover? Vooraf?

Ik heb altijd geloofd dat de Bijbel de ambten van oudste en diaken alleen openstelt voor mannen. Mijn gevoel zegt mij de laatste jaren wat anders; waarom zouden vrouwen, met hun andere insteek dan mannen, met hun vaak prachtige gaven en talenten, geen ambt in de kerk mogen bekleden?

Maar ik weet dat ik niet op mijn eigen inzicht mag vertrouwen; zie Spreuken 3:5. En van mensen binnen de kerk verwacht ik dat ze net zo min op hun eigen inzicht vertrouwen. In het bijzonder verwacht ik dat van onze voorgangers, die wij immers in ere moeten houden, sterker nog, die wij moeten gehoorzamen (Hebreeën 13:17) – behalve als ze God niet volgen. Eigenwillige godsdienst valt daar ook onder.

Bij ‘Aanbiedingsbrief’

Mijn doel met dit stukje is tweeledig:

  1. nagaan of er werkelijk geen advies of richting gegeven wordt;
  2. nagaan hoe er met Bijbelteksten wordt omgegaan.

Toelichting: gezien de trend in de samenleving, en het feit dat veel mensen de gevoelens (zoals ik die hierboven verwoord heb) delen, verwacht ik dat er wèl een richting uit het rapport komt, namelijk een richting die die trend volgt; en gezien de steeds grotere invloed van de ‘nieuwe hermeneutiek’ verwacht ik af en toe een wat ‘bijzondere uitleg’ van Bijbelteksten.

Soms hoop ik erop om teleurgesteld te worden…

Bij ‘1. Opdracht en taakopvatting’

In het rapport wordt gevraagd stil te staan bij de pijnpunten die de opstellers hebben gesignaleerd. Dat wil ik hier doen.

Bij ‘2. Introductie’

“Wat we nu vooral nodig hebben is niet tegenover elkaar staan, maar elkaars lasten dragen (Galaten 6:2).”

Deze tekst staat in een context over misstappen en mogelijke trots (vers 1-5), en ondanks dat ik de oproep op zich waardeer, vind ik het verwijzen naar deze tekst misplaatst. De context van het rapport is m.i. een duidelijk andere dan die in Galaten 6:1-5.

Misschien wordt duidelijk wat ik bedoel met ‘misplaatst’ als ik verwijs naar Handelingen 17:11, om daarmee aan te geven dat ik bezig ben na te gaan of alles wat er in de discussie rond vrouw en ambt aangedragen wordt wel klopt.

Bij ‘3. Pijnpunten rond M/V en ambt’

Vervolgens komen de vragen waar het om draait: “Ben je als voorstander van de openstelling van ambten voor vrouwen bereid om echt te luisteren naar de zorg van tegenstanders over het schriftgetrouw lezen van de Bijbel als het gaat om de zwijgteksten? En omgekeerd: ben je als verdediger van de huidige situatie waarin de ambten uitsluitend openstaan voor mannen, bereid om daadwerkelijk mee te denken met wie die situatie bekritiseert omdat hij of zij ruimte wil bieden aan vrouwen om hun door God gegeven gaven in te zetten in de gemeente?”.

Terechte vragen, maar het gaat bij de eerste vraag m.i. niet alleen om de zwijgteksten (zie bijvoorbeeld 1 Timoteüs 3, waar over oudsten en diakenen wordt gesproken als mannen); en bij de tweede vraag gaat het volgens mij om het bieden van ruimte aan vrouwen om in het ambt hun door God gegeven gaven in te zetten in de gemeente. Dit had wat mij betreft wel iets zorgvuldiger geformuleerd mogen worden.

Het eerstgenoemde pijnpunt krijgt als omschrijving mee: “Maken we nog ernst met Bijbelgegevens die haaks op ons leven staan?“. Dat lijkt me correct geformuleerd, en ook in de beschrijving in het rapport kan ik me wel vinden.

Het als tweede genoemde pijnpunt krijgt als omschrijving mee: “Mogen vrouwen nog steeds geen roeping tot medewerkster in het Koninkrijk beluisteren in hun door God geschonken gaven?“. Dat lijkt me niet correct geformuleerd, want volgens mij gaat het daar niet om: er ontbreekt in de vraag een verwijzing naar ‘het ambt’; maar dat had ik al geconstateerd. Ik krijg hier een beetje het gevoel dat de opstellers méér voelen voor de openstelling van de ambten voor vrouwen, dan voor het andere standpunt.

Omdat ik het zelf een stuk gemakkelijker vind als ik ‘alles’ op de computer kan doen, geef ik hier de links naar de Bijbelteksten waarnaar onder het als tweede genoemde pijnpunt wordt verwezen: Handelingen 18:26; Romeinen 16:1-2; 1 Timoteüs 5:9-10. Verder wordt verwezen naar 1 Petrus 3:1-6, dat door de schrijvers als voorbeeld wordt gebruikt van Bijbelwoorden rond de verhouding van man en vrouw die vaak niet meer letterlijk voor vandaag worden gehanteerd.

Bij ‘4. Pijnpunt 1: Lastige schriftplaatsen’

Eerst een citaat uit het rapport (links naar de HSV van mij – en dat geldt ook voor de rest van mijn stukje -): “In de discussie rond M/V en ambt hebben twee belangrijke bijbelgedeelten uit het Nieuwe Testament (te weten 1 Korintiërs 14:34-36 en 1 Timoteüs 2:11-15) steeds een belangrijke rol gespeeld, omdat de kerk ze echt als contra-stem hoorde, die zich verzet tegen de inschakeling van vrouwen in het ambt.”.

In het rapport wordt een stukje geschreven n.a.v. 1 Korintiërs 14:34-36, waarin o.a. dit gedeelte voorkomt: “Hoewel het Nieuwe Testament nergens noemt dat voorgangers en/of andere actoren in de liturgie daartoe de bevoegdheid ontvangen door bevestiging in het ambt van oudste, is in de gereformeerde traditie altijd wel van die vooronderstelling uitgegaan.”. Er staat geen voetnoot bij, maar ik had hier graag een onderbouwing gezien.

Opnieuw een citaat: “Tegelijkertijd laten schriftplaatsen als 1 Korintiërs 11:5 en Handelingen 2:17,18; 21:9 zien dat ook vrouwen binnen de christelijke gemeente kunnen optreden. De belangstelling voor dit soort schriftplaatsen krijgt in de discussie pas echt ruimte sinds de wending naar liturgische participatie van gemeenteleden gemaakt wordt. Intussen wordt er zo een paradox zichtbaar in het gebruik van 1 Korintiërs 14. Het hoofdstuk gaat namelijk in zijn liturgische strekking principieel uit van een niet bij voorbaat ambtelijk gestructureerde bijeenkomst (vers 26). Tegelijkertijd speelt het een hoofdrol in het afwijzen van de vrouw in het ambt van oudste.”.

Een hoofdrol? Volgens mij is die eerder weggelegd voor 1 Timoteüs 2:11-14. Het is volgens mij allang geen schande meer (1 Korintiërs 14:35) als een vrouw op bijvoorbeeld een gemeentevergadering (dat is (ook) een samenkomst) iets vraagt of vertelt.

Ook 1 Timoteüs 2:11-15 wordt in het rapport behandeld. Er wordt bij vers 14 het volgende opgemerkt: “Overigens lijkt dit laatste element op gespannen voet te staan met enkele andere passages uit de brieven van Paulus. Hij stelt in Romeinen 5:12-14 en 1 Korintiërs 15:21-22 juist de man verantwoordelijk voor de zonde die in de wereld gekomen is. Hij had er uit kunnen afleiden, dat de man zijn recht op het hoofd-zijn verspeeld had, maar die conclusie trekt de apostel niet.”. Misschien ontgaat mij iets, maar zou de verklaring voor de verantwoordelijkheid van de man niet kunnen liggen in bijvoorbeeld Efeziërs 5:23? Dan valt het met dat ‘op gespannen voet staan’ wel mee.

De opstellers van het rapport geven aan dat deze schriftplaatsen ( 1 Korintiërs 14:34-36 en 1 Timoteüs 2:11-15) geen geïsoleerde plek moeten krijgen in het debat; zij zien een “trend in het Nieuwe Testament die de man binnen de relatie van man en vrouw tekent als degene die voorop gaat (zie b.v. 1 Korintiërs 11:3, 1 Petrus 3: 5-6).”. Deze opmerking sluit aan bij wat ik hierboven opmerkte over ‘op gespannen voet staan’, en ik begrijp dan ook niet dat dat ‘op gespannen voet staan’ in het rapport is blijven staan. We hebben allen in Adam gezondigd, maar Eva heeft zich als eerste laten verleiden. Ik denk dat het er ook mee te maken heeft wat voor punt Paulus in Romeinen 5:12-14 en 1 Korintiërs 15:21-22 wilde maken; dat is een ander punt dan hij in 1 Timoteüs 2:11-14 wilde maken.

Bij ‘5. Pijnpunt 2: Uitsluiting van vrouwen’

Ik citeer weer een stukje – wat er vóór staat moet je maar in het rapport lezen -: “Dit wordt extra lastig te verdragen, wanneer de kerk deze pijn voor lief neemt met een (voor wie in de huidige cultuur leeft) onbegrijpelijk beroep op de Schrift. Immers zulk Schriftberoep is in kwesties als rond het eten van vlees met bloed (Handelingen 15) of de hoofdbedekking van vrouwen (1 Korintiërs 11) zonder problemen losgelaten.”. Ik heb er de verzen waar het volgens mij om gaat bij aangegeven (dit wordt duidelijk bij het volgen van de links). Het zou natuurlijk kunnen dat er wel ‘problemen’ hadden moeten zijn als het om het loslaten van het Schriftberoep in de genoemde kwesties gaat. Het kan vast geen kwaad als we daar nog eens goed naar kijken.

Volgens het rapport is er in de Schrift een brede participatie van vrouwen zichtbaar, en de opstellers vinden dat deze lijn kan worden geduid als de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen voor God. Daarbij wordt verwezen naar Genesis 1:27, 1 Korintiërs 12:13, Handelingen 2:17v (ik neem aan dat bedoeld wordt t/m vers 21), 1 Korintiërs 11:2-16. Verder wordt verwezen naar de volgende teksten als toelichting bij de structuur van de gemeente als het lichaam van Christus: Openbaring 21:9, Romeinen 8:1-11, Galaten 5:13-26, Efeziërs 2:11-22, Galaten 3:28, Romeinen 12:3-5, Efeziërs 4:16, Kolossenzen 3:16.

“NB: daar waar de beweging terug gemaakt wordt naar statusonderscheid binnen de gemeente volgt een scherpe terechtwijzing (1 Korintiërs 11:17-22, Galaten 2:11-14).”

Het gaat in 1 Korintiërs 11:17-22 niet (alleen) om ‘een beweging terug naar statusonderscheid’. Paulus vindt het onvermijdelijk dat er partijvorming optreedt (1 Korintiërs 11:19), want zo zal duidelijk worden wie betrouwbaar is. Ik mis de link met ‘statusonderscheid’; en zo heel slecht vindt Paulus deze ontwikkeling dus niet. In vers 20 geeft Paulus aan dat de Korintiërs niet samenkomen om de maaltijd van de Heer te vieren. Uit de verzen 21 en 22 blijkt dat ze dat juist wèl doen, maar Paulus zegt het zoals hij het zegt om de Korintiërs duidelijk te maken dat de manier waarop zij bezig zijn niets te maken heeft met het vieren van de maaltijd van de Heer. Dit Bijbelgedeelte lijkt in de Herziene Statenvertaling een stuk duidelijker dan in de Nieuwe BijbelVertaling; let daarbij vooral op de formulering van vers 20.

Het ontgaat me verder ook wat de plaats van Galaten 2:11-14 in de redenering is. Deze tekst heeft m.i. niets te maken met ‘vrouw en ambt’.

Bij ‘6. Omgaan met de pijn’

“Hadden we misschien al eerder tegen vrouwen in de kerk moeten zeggen dat zij dienen te zwijgen in de samenkomst? Hebben we tot nu toe werkelijk gehonoreerd dat vrouwen geen gezag mogen oefenen in de gemeente, bijvoorbeeld in het catechetisch onderwijs?”

“Zou het Bijbels geweest zijn om in de kerk te blijven bij de achterstelling van de vrouw, terwijl die in onze cultuur (voor een belangrijk deel) achter de rug is? Voelt het niet hypocriet om enerzijds vrouwen volop te laten participeren in het gemeenteleven, tot en met liturgische functies en kerkenraadswerk aan toe, en tegelijkertijd anderzijds vol te houden dat op basis van twee zwijgteksten het ambt voor hen gesloten blijft?”

Eerder had ik al de indruk dat de opstellers op z’n minst iets méér voelen voor de openstelling van de ambten voor vrouwen dan voor het andere standpunt (zie ‘Bij 3.‘); die indruk wordt door de suggestieve formulering van het eerste citaat hierboven nog versterkt. Deze komt op mij over als een “Ja, maar jij …”. En bovendien, als je het al zo lang niet eens bent met ‘de heersende praktijk’, had je dan niet eerder aan de bel moeten trekken? Ik vind hier het ‘balk-en-splinter-gehalte’ vrij hoog.

De mogelijke gespreksvorm die wordt aangedragen lijkt me een goede. Als beide partijen het standpunt van een vertegenwoordiger van de tegenovergestelde mening goed weten weer te geven, is er in ieder geval een duidelijke basis: er wordt geen strijd gevoerd over een karikatuur.

Bij ‘7. Vooruitblik’

“Om dat proces alle ruimte te bieden hebben we in dit eerste deel van ons rapport nog geen richting gewezen voor de besluitvorming door de synode. Inmiddels is er op basis van ons werk tot nu toe veel materiaal beschikbaar voor het formuleren van een advies aan de synode.”

Mijn indruk is dat dit rapport wèl richtinggevend is. Misschien komt dat wel omdat er ‘veel materiaal beschikbaar’ is ‘voor het formuleren van een advies aan de synode.’.

Conclusie

Het rapport geeft m.i. wel een richting aan, namelijk dat er geen bezwaar is om de ambten voor vrouwen open te stellen.

Voor de manier van verwijzen naar Bijbelteksten in het rapport kan ik niet veel enthousiasme opbrengen. Mijn indruk is dat bij sommige teksten de context niet wordt meegenomen. Sommige andere teksten hebben m.i. niets met de discussie te maken.

Hoewel mijn gevoel me nog steeds ingeeft dat er niks mis mee is om vrouwen in de ambten te accepteren heeft dit rapport mij niet verder geholpen. Ik mis een stevige Bijbelse onderbouwing.

Afsluiting

Misschien doe ik wel mee aan eigenwillige godsdienst omdat ik zaken als ‘hoofdbedekking van de vrouw’ en ‘het eten van bloed’ geërfd heb van ‘het voorgeslacht’, maar dat neemt niet weg dat er niet nòg meer bij hoeft te komen. Het nu besproken rapport geeft mij weinig vertrouwen dat er een goede Bijbelse basis is voor het openstellen van de ambten voor vrouwen.

Ik heb nergens in het rapport verwijzingen gevonden naar 1 Timoteüs 3 of Titus 1:5-9. Dat verbaast mij, maar misschien komen deze teksten aan de orde in het vervolgrapport.

Ik heb het vervolgrapport nog niet gelezen, ook al heb ik het al gedownload. Als ik het gelezen heb, zal ik er wel weer een stuk(je) over schrijven, uiteraard onder Jakobitisch voorbehoud. (Aanvulling 9 december 2017: dat stuk is er inmiddels.)

Reageren kan via het contactformulier; zet er s.v.p. de titel van dit stukje bij.

9 december 2017: verwijzingen naar Bijbelteksten vervangen; geen NBV maar HSV (reden).

Laatste wijziging: 29 mei 2019.
^
Homepage